Ahmadiyya Rechtszaak

Deel III van uit het boek

Home

 

 

 

 

Samengesteld door

Maulana Hafiz Sher Muhammad

en dr Zahid Aziz

 

Vertaald door

R. Ghafoerkhan

 

Copyright:

Stichting Ahmadiyya Isha’at-i-Islam

 

Deel III

 

Het Bewijs

 

 

Dit gedeelte bevat het schriftelijke bewijsmateriaal voorgelegd aan het hof tijdens de hoorzittingen in november 1985, namens de religieuze getuige-deskundige Maulana Hafiz Sher Mohammad. Er werd in de Uitspraak veel gewag gemaakt van dit bewijsmateriaal en de daarin voorkomende citaten zal men in dit Deel aantreffen met volledige bronvermeldingen. Het schriftelijke bewijsmateriaal werd ook mondeling in de rechtszaal gepresenteerd en als aanvulling werden ook enkele, zuiver mondelinge bewijzen gegeven (die hierin niet staan opgenomen).

 

Het schriftelijke bewijs bestaat in de vorm van afzonderlijke documenten, veelal Paragrafen genoemd, waarvan elk één vraagstuk behandelt. In dit boek hebben we aan het begin van elke paragraaf een korte Noot van de samensteller gegeven om aan onze lezers het doel en de relevantie van de daarin voorkomende bewijsstukken toe te lichten. Zonder een dergelijke toelichting zou het voor degenen die niet bekend zijn met de zaak moeilijk zijn de bewijsvoering te volgen.

 

We hebben de regel toegepast dat indien er binnen de citaten verklarende woorden van ons nodig waren, dan worden die tussen rechte haakjes gegeven, dus: […]. Het gebruik van ronde haakjes, d.i. (…), binnen een vertaalde citaat is om de oorspronkelijke woorden van de schrijver te laten zien, daar waar dit nodig was om de vertaling te verduidelijken.

 

 

Inhoud

 

 

 

1. Wie is een moslim?

 

1.1: De Heilige Koran

1.2: Hoe de Heilige Profeet mensen tot de islam bekeerde

1.3: Moslimautoriteiten over Wie is een moslim

1.4: De Heilige Profeet over uiterlijke tekenen van een moslim

1.5: Het verbod op takfīr

1.6: Een mu’awwil kan geen kāfir genoemd worden

 

Appendix bij paragraaf 1

 

2. De geloofsopvattingen van Hazrat Mirza Ghulam Ahmad en zijn volgelingen

 

 


Paragraaf 1

 

Wie is een moslim?

 

Noot van de samensteller: Het meest fundamentele deel van onze bewijsvoering handelde over de vraag: Wat moet een persoon verklaren, praktiseren, of doen volgens de islamitische leringen teneinde als een moslim kenbaar te zijn? Het dient duidelijk te zijn dat het punt van discussie hier niet is wat vereist is voor een persoon om een complete en ware moslim in geloof en daad te zijn. De kwestie die relevant is voor de zaak is: Wat zijn de criteria neergelegd door de islam voor een persoon om als een moslim kenbaar, geïdentificeerd en behandeld te worden in zoverre het de zaken van burgerrechten en zijn sociale betrekkingen met ander moslims aangaat. Het bewijsmateriaal omtrent dit punt is in zes gedeeltes verdeeld:

(1) Uit de Heilige Koran; extracten die aantonen dat het geloof in God en Zijn Boodschapper een persoon tot een ‘moslim’ maakt.

(2) Uit de Hadies; voorvallen die aantonen dat mensen tijdens het leven van de heilige profeet Mohammed de islam omarmden door de kalima shahāda op te zeggen.

(3) De opinie van moslimautoriteiten, door de geschiedenis van de islam heen, wederom aantonende dat een persoon, om als moslim kenbaar te zijn en gerekend te worden tot de islamitische gemeenschap, slechts de kalima moet verklaren.

(4) Gezegdes van de heilige profeet Mohammed, waarin bepaalde uiterlijke tekenen van een moslim worden aangegeven, waardoor een persoon die die tekenen kenbaar maakt als een moslim behandeld moet worden.

(5) De Koran, Hadies en moslimtheologen over het verbod op takfīr (een moslim kāfir noemen).

(6) Opvattingen van moslimtheologen dat een persoon geen kāfir genoemd kan worden op grond van dat hij van mening verschilt met een algemeen geaccepteerde interpretatie van een bepaald religieus punt.

 

 

1.1: De Heilige Koran

 

De religie van de islam wordt samengevat door de twee frasen: lā ilāha ill-Allāh (er is geen god dan Allah) en Muhammad-ur-rasūl Allāh (Mohammed is de boodschapper van Allah). Door deze twee leerstellingen te aanvaarden, treedt een persoon de broederschap van de islam binnen.

 

Deze twee zinsdelen komen niet samen voor in de Heilige Koran zoals ze dat doen in de kalima, maar elk daarvan vormt een terugkerend thema van de Koran:

 

“Weet dat er geen god is dan Allah.” (47:19)

 

en

 

“Mohammed is de boodschapper van Allah.” (48:29)

 

De Koran zegt ook: “Geloof in Allah en Zijn boodschapper.” (4:171)

 

Met betrekking tot wie een moslim is, zegt de Koran:

 

1.        “Zeg: Aan mij is geopenbaard dat jullie God één God is. Zullen jullie dan moslims zijn?” (21:108)

 

2.        “Zeg: Wij geloven in Allah en in wat aan ons is geopenbaard, en in wat geopenbaard was aan Abraham en Ismaël en Izak en Jakob en de stammen, en in wat gegeven was aan Mozes en Jezus, en in wat gegeven was aan de Profeten van hun Heer. Wij maken geen onderscheid tussen wie ook van hen, en wij zijn moslims.” (2:136)

 

3.        En toen Ik tot de discipelen openbaarde, zeggende: Geloof in Mij en Mijn boodschapper, zeiden zij: Wij geloven, en getuig dat wij moslims zijn.” (5:111)

 

4.        “De woestijnarabieren zeggen, Wij hebben geloof’. Zeg tegen hen: ‘Jullie hebben geen geloof, maar zeg veeleer, wij zijn moslims – er is in jullie harten nog geen geloof binnengegaan.” (49:14)

 

5.        “Zeg niet ‘u bent geen gelovige’ tegen een persoon die as-sālamu alaikum tegen jullie zegt.” (4:94)

 

Deze verzen maken duidelijk dat een persoon die gelooft in de eenheid van God en het profeetschap van de heilige profeet Mohammed en gelooft in zijn openbaringen, een moslim is. Vers no. 5 gaat zover met te zeggen dat een persoon die de groet as-sālamu alaikum uitbrengt om te laten zien dat hij een moslim is, geen kāfir (ongelovige of niet-moslim) genoemd kan worden.

 

1.2: Hoe de Heilige Profeet mensen tot de islam bekeerde

 

1.       “Ibn Umar heeft overgeleverd dat de Boodschapper van Allah, vrede en zegeningen van Allah zij met hem, heeft gezegd: De islam is gebaseerd op vijf dingen – getuigen dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de boodschapper is van Allah, het onderhouden van het gebed, het geven uit liefdadigheid (zakaat), de bedevaart (hajj) en vasten in Ramadan.”

(Bukhari, Boek van Geloof; Boek 2, hfst. 1, p. 90 van gebruikte editie)

 

Noot: In deze hadies wordt de kalima gerekend tot een van de vijf fundamenten. Het basisfundament is de kalima, de andere fundamenten zijn daarop gebaseerd.

 

2.       “Ibn Abbas heeft verteld dat de Heilige Profeet Muaz naar Yemen zond [als gouverneur] en hem opdroeg: Nodig de mensen uit te getuigen dat er geen god is dan Allah en dat ik de Boodschapper van Allah ben; indien zij dit accepteren, vertel hen dat Allah vijf dagelijkse gebeden verplicht voor hen heeft gesteld; indien zij dit accepteren, vertel hen dat Allah hen verplicht heeft gesteld uit liefdadigheid te geven, wat van hun rijkdom wordt genomen en aan hun armen wordt gegeven.”

(Bukhari, Boek van Zakaat; boek 24, hfst. 1)

 

3.       “Toen het tijdstip van de dood van Abu Talib naderde, ging de Boodschapper van Allah, vrede en zegeningen van Allah zij met hem, naar hem toe en trof Abu Jahl Ibn Hisham en Abdullah Ibn Abi al-Mughira bij hem aan. De Boodschapper van Allah zei tegen Abu Talib: O oom! Zeg ‘Er is geen god dan Allah’, ik zal hiervan voor u getuigen tegenover Allah.”

 

“Toen zeiden Abu Jahl en Abdullah Abi Umayya: O Aboe Talieb! Zult u zich afwenden van de godsdienst van Abdul Mutallib? De boodschapper van Allah bleef hem deze kalima voorhouden en de andere twee bleven herhalen wat zij hadden gezegd, totdat Abu Talib zijn laatste woorden tot hen sprak, dat hij de godsdienst van Abdul Mutallib volgde en hij weigerde te zeggen, Er is geen god dan Allah.”

(Bukhari, Boek van begrafenissen; Boek 23, hfst. 81, vol. 1, p. 511)

 

“Abu Bakr zei: O Boodschapper van Allah, wat is verlossing? De Heilige Profeet zei: Hij die de kalima accepteert die ik mijn oom [Abu Talieb] voorhield, maar die hij verwierp, dat is het middel tot verlossing.”

(Mishkāt al-Masābih, Boek van Geloof, hfst. 1, par. 3)

 

4.       “Anas heeft overgeleverd dat de Heilige Profeet heeft gezegd: Er is niemand die oprecht vanuit zijn hart getuigt dat er geen god is dan Allah, en dat Mohammed de boodschapper is van Allah, of Allah verbiedt het vuur van de hel voor hem.”

(Mishkāt al-Masābih, Boek van Geloof, hfst. 1, par. 1)

 

5.       “Van Abu Huraira is overgeleverd dat de Profeet, vrede en zegeningen van Allah zij met hem, ruiters zond naar Najd. Zij brachten een man mee van de Bani Hanifa, wiens naam Sumama Ibn Usal was, en bonden hem vast aan een van de pilaren van de moskee. Toen kwam de Heilige Profeet naar buiten naar hem en zei: Maak Sumama los. De man ging naar een dadelboom vlakbij de moskee, nam een bad, ging terug naar de moskee en zei: Ik getuig dat er geen god is dan Allah en Mohammed is Zijn boodschapper.”

(Bukhari, Boek van het gebed; Boek 8, hfst. 75, vol. 1, p. 243)

 

6.       “Abu Zarr heeft overgeleverd: “Ik zei tegen hem [de Heilige Profeet]: Leg mij de islam voor. En toen hij die had voorgelegd, werd ik terstond moslim. Hij zei tegen mij: ‘Abu Zarr! Houd deze zaak geheim en keer terug naar uw land. Wanneer onze triomf u ter ore komt, kom dan.’ Ik zei: ‘Bij Hem die U met de waarheid heeft gezonden, ik zal hen dit toeschreeuwen.’ En zo ging hij [Abu Zarr] naar de moskee en de Quraish waren daar. Hij zei: O volk van de Quraish! Ik getuig dat er geen god is dan Allah en ik getuig dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is.”

(Bukhari, Kitāb al-Manāqib, Boek 61, hfst. 9, vol. 2, p. 335)

 

7.       In het welbekende verhaal over de bekering van Umar tot de islam, opgeschreven in Shibli’s beroemde biografie van de Heilige Profeet Sīrat an-nabi, staat verhaald dat toen Umar overtuigd was geraakt van de waarheid van de Koran, hij zijn bekering tot de islam verklaarde door uit te roepen: “Ik getuig dat er geen god is dan Allah en ik getuig dat Mohammed de boodschapper is van Allah.”

(Sīrat an-nabi, vol. 1, p. 225-226)

 

8.       Toen Abdullah Ibn Salam hoorde van de komst van de Heilige Profeet in Medina, ging hij daarnaar toe om hem te zien en zei: “Ik wil u drie dingen vragen waarvan alleen profeten kennis dragen.” De Heilige Profeet beantwoordde zijn vragen. Het verhaal loopt als volgt:

 

Hij [Abdullah] zei: Ik getuig dat u de Boodschapper van Allah bent. Hij zei toen: O Boodschapper van Allah! De joden zijn een volk die belasteren; indien zij erachter komen dat ik een moslim ben geworden voordat u hen over mij vraagt, zullen zij mij belasteren. En toen de joden kwamen, ging Abdullah het huis binnen. De Boodschapper van Allah, vrede en zegeningen van Allah zij met hem, zei: Wat voor soort man is jullie Abdullah Ibn Salam? Zij zeiden: Hij is ons meest onderwezen geleerde, zoon van de meest geleerde en hij is de beste van ons, zoon van de beste. De Heilige Profeet zei: Wat indien jullie zien dat hij een moslim is geworden? Zij zeiden: Moge God hem hiervoor behoeden! Toen ging Abdullah naar hen toe en zei: Ik getuig dat er geen god is dan Allah en ik getuig dat Mohammed de boodschapper van Allah is. Zij zeiden: Hij is de slechtste van ons, zoon van de slechtste. En zij begonnen hem te minachten.”

(Bukhari, Boek der Profeten; Boek 60, hfst. 1, vol. 2, p. 253)

 

9.       “Van Abu Salama is overgeleverd dat de laatste wens van zijn moeder was dat een moslimslavin namens haar in vrijheid moest worden gesteld. Aldus vroeg hij de Heilige Profeet hierover en vroeg zich af of hij een zwart slavenmeisje dat hij bezat in vrijheid moest stellen uit de stad van Nobiyya. De Heilige Profeet zei: Breng haar hier. Toen zei kwam, zei hij tegen haar: Wie is uw Heer? Zij zei: Allah. Hij zei: Wie ben ik? Zij zei: De Boodschapper van Allah. Hij zei: Ga en stel haar in vrijheid, zij is een gelovige.”

(Tarjuman as-Sunna, vol. 2, p. 128)

 

10.    Abu Huraira heeft overgeleverd dat hij de Heilige Profeet vroeg te bidden om leiding voor zijn moeder. Hij bad: O Allah! Schenk leiding aan de moeder van Abu Huraira. Abu Huraira vertelde toen:

 

“Toen vertrok in tevredenheid vanwege het gebed van de Boodschapper van Allah, vrede en zegeningen van Allah zij met hem. Toen ik de deur van mijn huis naderde, was het gesloten. Toen mijn moeder het geluid van mijn voetstappen hoorde, riep zij uit: Blijf waar je bent Abu Huraira. Ik kon het geluid van gespetter van water horen. Ze had een bad genomen, trok haar overkleding aan en haastte zich met de hoofdbedekking. Toen opende zij de deur en zei: O Abu Huraira! Ik getuig dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is. Ik spoedde mij terug naar de Boodschapper van Allah, terwijl ik tranen van vreugde stortte. Hij prees Allah en sprak goed over haar.”

(Muslim, Boek van deugden. Vol. 5, p. 163-164)

 

11.    “Baraida Ibn al-Hasib heeft overgeleverd dat zij op een dag bij de Heilige Profeet zaten toen hij tegen zijn metgezellen zei: Laten we onze zieke joodse buurman gaan bezoeken. En toen de Heilige Profeet naar binnen ging om hem te zien, trof hij hem bijna dood aan. Hij vroeg hoe het met hem ging en zei toen tegen hem: Getuig dat er geen god is dan Allah en dat ik de boodschapper van Allah ben. De jood keek naar zijn vader, die niets zei. [De Heilige Profeet herhaalde toen zijn verzoek.] De vader zei: Getuig daarvan. Aldus zei de jongen: Ik getuig dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed de boodschapper is van Allah. De Heilige Profeet zei: Alle lof komt Allah toe, Die via mij deze man gered heeft van het vuur van de hel.”

(Bukhari, Boek van begrafenissen. Zie ook Mishkāt, Kitāb al-Fitn,  hfst. Namen van de Heilige Profeet, par. 3, zie v. 3, p. 134-135)

 

12.    Toen de Heilige Profeet onder een boom sliep, kwam een woestijnarabier naar hem toe met een zwaard. Het verhaal gaat verder:

 

“Hij [de bedoeïen] zei: Wie kan u nu van mij redden? De Heilige Profeet zei: Allah. Het zwaard viel uit zijn hand. De Heilige Profeet raapte het op en zei: Wie kan u nu van mij redden? De man zei: Wees een betere zwaardvechter [de betekenis is: vergeef mij]. De Heilige Profeet zei: Getuigt u dat er geen god is dan Allah en dat ik de Boodschapper ben van Allah. Hij zei: Nee, maar ik beloof dat ik u niet zal bestrijden, noch partij zal kiezen voor degenen die u bestrijden. Aldus liet de Heilige Profeet hem gaan.”

(Mishkāt al-Masābih, hfst. Vertrouwen op God en geduld, par. 3)

 

13.    Een man kwam tot de Heilige Profeet terwijl er een strijd gaande was. Hij zei: Zal ik eerst tegen de ongelovigen strijden en dan moslim worden, of eerst moslim worden en dan strijden? De Heilige Profeet zei: Word eerst moslim, en strijd daarna. De man zei: Ik getuig dat er geen god is dan Allah en dat u Zijn dienaar en boodschapper bent. Hij ging toen en streed totdat hij werd gedood.

(Tuhfāt al-Akhyār, p. 394)

 

14.    Adi Ibn Hatim, een metgezel van de Heilige Profeet, heeft overgeleverd: Toen de Heilige Profeet mij zag, zei hij: Adi, waarom loopt u weg van lā ilāha ill-Allāh [Er is geen god dan Allah]? Is er iemand anders dan Allah waard aanbeden te worden? Waarom weigert u te zeggen Allāhu Akbar? Is er iemand groter dan Allah? Deze woorden maakten zo’n indruk op mij dat ik onmiddellijk de kalima opzegde en moslim werd.

(Tafsīr Ibn Kasier, Urdu, onder vers 1:5)

 

 

1.3: Moslimautoriteiten over ‘Wie is een moslim’

 

1. Abu Bakr

 

Toen Abu Bakr de eerste kalief werd, schreef hij een brief naar enkele afvallige stammen en legde hen uit hoe hij moslim was geworden:

 

“Ik loof de ware God, buiten Wie niemand aanbeden wordt. Ik verklaar dat Allah Eén is, zonder deelgenoot en Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is. Wij bevestigen de boodschap van Allah die hij tot ons bracht. Hij die het ontkent, is een kāfir.”

(Tārikh Tabari, Urdu-vertaling, vol. 1, deel 4,  p. 38)

 

2. Hoe een afvallige stam moslim werd

 

Toen de stam van Abdul Qais afvallig werd na de dood van de Heilige Profeet, verzamelde een lid van deze stam hen bijeen en bracht hen terug tot de islam. Hij verklaarde:

 

“Mohammed is gestorven zoals de vorige profeten zijn gestorven. Ik verklaar dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed Zijn dienaar en boodschapper is.”

 

Zijn stam zei:

 

“Ook wij getuigen dat er geen god is dan Allah en Mohammed zeker Zijn dienaar en boodschapper is.”

 

Zo bleven zij standvastig in de islam.

(Tārikh Tabari, vol. 1, p. 94-95. Hoofdstuk over de afvalligen van Bahrein)

 

3. Imam Ghazali (gest. 1111 n.C.)

 

Ghazali, een van de grootste filosofen van de islam, schreef:

 

i.         “Hij die zegt, Er is geen god dan Allah en Mohammed is zijn Boodschapper’, met de tong, maar dit niet in zijn hart bevestigt, er bestaat geen twijfel over dat hij in het Hiernamaals gerekend zal worden tot de ongelovigen en de hel zal binnengaan. Maar het lijdt ook geen twijfel dat, in zoverre het de zaken van deze wereld aangaat, de religieuze en seculiere autoriteiten hem zullen rekenen tot de moslims, omdat het niet bekend is wat er in zijn hart is en wij zijn verplicht te accepteren wat op zijn tong ligt.”

(Ihyā al-Ulūm, p. 97)

 

ii.       In zijn biografie over Ghazali schrijft Maulana Shibli:

“Wat waren de islamitische leerstellingen volgens Ghazali? Het grondbeginsel van de islam bestaat uit slechts twee zinnen: Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah. Echter, tijdens het nader verklaren van de bijzonderheden hiervan ontstonden er meningsverschillen en verschenen er vele sekten.”

(Al-Ghazali door Shibli, p. 102)

 

4. Imam Ibn Taimiyya (gest. 1327 n.C.)

 

De imam, een vooraanstaande theoloog, beschouwd als de mujaddid van zijn tijd, schrijft:

 

“Het bewijs van iemands islam dient gebaseerd te zijn op iets wat bij allen gelijkelijk herkenbaar is. Indien dit bepaald werd door de kennis die de boodschapper van God bezat, dan zouden alle huichelaars gerekend zijn geweest tot de ongelovigen. Indien zij op die grond waren gedood, zouden zij geen mogelijkheid hebben gehad de islam in diskrediet te brengen door te zeggen dat de Heilige Profeet zijn eigen vrienden doodde. Derhalve werd louter de verklaring van de kalima met de tong als criterium gemaakt om de islam te omarmen en het begin en het einde van een oorlog tegen ongelovigen werd van slechts deze kalima afhankelijk gemaakt.”

(Kitāb al-Imān, p. 172 zoals naar verwezen in Tarjuman as-Sunna, voetnoot, vol. 1, p. 471, Delhi, 1948)

 

5. Shah Wali Ullah van Delhi (gest. 1763 n.C.)

 

Shah Wali Ullah, een wereldvermaarde Indiase moslimgeleerde, theoloog en filosoof, heden erkend door alle moslims van India en Pakistan, heeft geschreven:

 

“Toen de geboden werden geformaliseerd door de sharia, werd het woord imān (geloof) toegepast op de twee getuigenissen’ en het woord kufr (ongeloof) op de ontkenning van deze twee. Waneer we deze terminologie in gedachten houden, kunnen we zeggen dat imān het bevestigen met de tong is en kufr het ontkennen van deze twee met de tong is.”

(Al-Khair al-Kasīr,  p. 440, uitgegeven in Karachi)

 

Met de “twee getuigenissen” wordt de kalima shahāda bedoeld.

 

6. Een andere opvatting van Shah Wali Ullah

 

“De Heilige Profeet heeft het geloof omschreven als uit twee soorten te bestaan. De ene is die welke afhankelijk is van de geboden met betrekking tot deze wereld, zoals de onschendbaarheid van leven en bezit en wat men moet doen bij zaken van uiterlijke gehoorzaamheid. De Heilige Profeet heeft gezegd: ‘Het is mij geboden tegen de mensen te strijden totdat zij getuigen dat er geen god is dan Allah en dat Mohammed Zijn boodschapper is, het gebed verrichten en in liefdadigheid uitgeven; en wanneer zij dat doen, zijn hun leven en bezit veilig voor mij’. En wat innerlijk ongeloof betreft, Allah zal hen daarvoor ter verantwoording roepen. De Heilige Profeet heeft gezegd: ‘Hij die ons gebed bidt, onze qibla als zijn qibla neemt en ons geslachte vlees eet, hij is een moslim voor wie het verbond [of bescherming] van Allah en Zijn boodschapper geldt; schend dus niet het verbond van Allah.’ En de Heilige Profeet heeft gezegd: ‘Drie dingen vormen de basis van ons geloof: hij die de kalima opzegt met de tong, noem hem geen kāfir voor enige zonde, noch verdrijf hem uit de islam voor enig wangedrag.”

(Hujjat Ullah al-Baligha, vol. 1, hfst. Het tweede soort van geloof, p. 322)

 

7. Imam Raghib’s Mufradāt

 

In het standaardwoordenboek van de Heilige Koran, de Mufradāt van Imam Raghib, wordt islam als volgt gedefinieerd:

 

“Volgens de sharia zijn er twee graden van [een persoon’s toewijding aan] de islam. De ene [mate van belijdenis van] islam staat beneden het niveau van geloof en dat is de verklaring met de tong en het opzeggen van de kalima. Dit stelt het leven veilig. In dit geval is de kwestie van de juistheid van geloof niet aan de orde. Het Koranische vers dat wijst op deze graad van islam is: ‘De woestijnarabieren zeggen, Wij hebben geloof. Zeg tegen hen: Jullie hebben geen geloof, jullie moeten slechts zeggen: wij zijn moslims’.”

 

“De andere graad van islam is die welke boven het niveau van geloof staat en dat is dat er, naast het betuigen van de kalima met de tong, geloof in het hart moet zijn en de persoon trouwheid moet tonen in het in praktijk brengen van en zich onderwerpen aan de geboden van God. Op deze graad van islam wordt gewezen in de volgende vermelding van Abraham: ‘Toen zijn Heer tegen hem zei: onderwerp u, zei hij: ik onderwerp mij aan de Heer der werelden’. En er wordt op gewezen in het volgende: ‘Waarlijk, de religie bij God is de islam.”

(Mufradāt van Raghib)

 

8. Lisān al-Hukām

 

De auteur van het klassieke Lisān al-Hukām schreef:

 

“Er staat geschreven dat indien een atheïst, of een afgodenaanbidder, of iemand die in goden naast de Ene God gelooft, louter zou zeggen, Er is geen god dan Allah, hij de islam binnentreedt. Of indien hij zou zeggen, Ik geloof dat Mohammed de boodschapper van God is, treedt hij de islam binnen. Dit is zo omdat de verwerpers van de islam weigeren deze twee formules op te zeggen. Vandaar dat indien hij zelfs maar een van deze twee geboden verklaart, zal hij uit de categorie niet-moslims genoemd gehaald worden en als een moslim beschouwd worden.”

(Lisān al-Hukām, p. 204)

 

9. Imam Shafi’i

 

Shafi’i, stichter van een van de vier scholen van jurisprudentie in de soennitische islam, vertelt het volgende:

 

“Tegen Umar, de tweede kalief, werd betreffende een zekere man verteld dat hij geen gelovige in zijn hart was, maar louter een moslim in uiterlijke zin. Umar vroeg hem: ‘Is het niet waar dat u slechts uiterlijk een moslim bent en geen moslim in werkelijkheid en dat uw enige reden voor het omarmen van de islam is om islamitische rechten te verkrijgen?’ Hij vroeg aan Umar: ‘Heer, berooft de islam die mensen van hun rechten die de islam slechts in de uiterlijke zin volgen en laat die geen weg voor hen open?’ Umar zei: ‘De islam heeft een weg voor hen opengelaten, en zei verder niets meer.”

(Kitāb al-Um, vol. 6, p. 154)

 

10. Sharh Fiqh Akbar

 

In zijn gezaghebbend werk over islamitisch recht schrijft Imam Abu Mansur:

 

“Hij die wenst gerekend te worden tot de gemeenschap van de heilige profeet Mohammed, moet met zijn tong zeggen, Er is geen god dan Allah en Mohammed is de boodschapper van Allah, en de betekenis daarvan in zijn hart bevestigen. Hij is dan een moslim, zelfs hoewel hij niet bekend hoeft te zijn met de plichten en verboden.”

(p. 34 van de editie gepubliceerd door Da’irāt al-Mu’ārief van Egypte)

 

11. Sayyid Muhammad Ismail Shaheed (gest. 1831 n.C.)

 

Deze beroemde religieuze en militaire leider van noordwest India bekeerde als volgt twee Sikhs tot de islam. Het verhaal is genomen uit zijn biografie van de bekende hedendaagse schrijver Abul Hasan Ali Nadawi.

 

“Tijdens zijn verblijf in Panjtar kwamen twee Sikh-spionnen bij Shah Ismail Shaheed om hem te ontmoeten. Hij vroeg hen de reden van hun komst. Zij zeiden dat zij alleen gekomen waren om hem te ontmoeten. Hij zei: ‘Jullie zijn onze gasten, blijf zolang als jullie willen.’ Na ongeveer tien dagen zeiden zij op een dag: “Heer, wij hebben zoveel dagen bij u verbleven, geluisterd naar wat u heeft gezegd en we hebben bemerkt dat u datgene wat we gehoord hebben van de mensen betreffende uw prijzenswaardige eigenschappen en innemende zeden overtreft. Wij bewonderen uw levenswijze en godsdienst zeer en wij zouden graag willen dat u ons daar naartoe leidt.’ De Sayyid was zeer verheugd en liet hen onmiddellijk de kalima opzeggen en moslims worden.”

(Jab Imān ki Bahar A’ee, Lucknow, India, 1974, p. 139-140)

 

12. Prediking van de Islam

 

Dit is een beroemd geschiedenisboek dat een nauwkeurig verslag doet van de verspreiding van de islam, geschreven aan het einde van de negentiende eeuw door de vooraanstaande oriëntalist sir Thomas Arnold. Het is vrij populair in de moslimwereld en is in het Urdu beschikbaar als Da’wat-i Islam. De auteur citeert een antwoord geschreven door de Shaikh al-Islam van Constantinopel in 1888 op een vraagsteller die moslim wilde worden. Het antwoord luidde:

 

“In werkelijkheid is de grondslag van de islam dat men moet geloven dat God één is en geloven in het apostelschap van de heilige profeet Mohammed. Dat wil zeggen, men moet dit in zijn hart geloven en het via woorden betuigen zoals die van de kalima: Er is geen god van Allah en Mohammed is Zijn boodschapper. Elke persoon die deze kalima verklaart, wordt moslim zonder iemands goedkeuring te verkrijgen. Indien u, zoals u in uw brief heeft geschreven, de kalima heeft geaccepteerd, d.w.z. u erkent dat er slechts één God is en dat Mohammed Zijn boodschapper is, dan bent u een moslim en heeft u onze goedkeuring niet nodig.”

(Da’wat-i Islam, editie gepubliceerd in Karachi, 1979, Appendix 4, p. 350)

 

13. ‘Romeinse prinses omarmt de islam’

 

In Da’wat-i islam staat onder de bovenstaande kop opgetekend:

 

“Om de islam te omarmen, was het enige wat vereist was het erkennen van de kalima: Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah.”

(Ibid., p. 143-144; zie ook The Preaching of Islam, Engelse editie, herdrukt door Renaissance Publishing House, Delhi, 1984, p. 160)

 

14. ‘Eenvoud van het omarmen van de islam’

 

In hetzelfde werk staat geschreven:

 

“De meest belangrijke van alle redenen voor het succes van de verspreiding van de islam is de eenvoud van de kalima van de islam: Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah. Deze zijn de enige twee punten die een bekeerling tot de islam moet verklaren. Men kan nergens in de geschiedenis van de theologie van de islam aantreffen dat de Ulama van de islam een of ander gecompliceerde en ingewikkelde formule hebben bedacht, in de plaats van deze duidelijke kalima, voor de leiding van de massa.”

(Ibid., p. 319; zie ook The Preaching of Islam, op. cit., p. 413)

 

15. Maulana Ashraf Ali Thanvi (gest. 1943)

 

Deze beroemde theoloog, een toonaangevende Deoband-geleerde van het begin van deze eeuw,  verhaalt:

 

“Ik ging eens naar Jaunpur op verzoek van een slager en logeerde als zijn gast. Daar ontving ik een brief die een gedicht bevatte dat vier dingen over mij vertelde. … Het derde was: ‘U bent een kāfir’. … Ik behoef niets te zeggen over dit derde punt, omdat ik niet de vroegere toestand hoef te bespreken dat ik een kāfir was of een moslim. Op dit moment zei ik de kalima op in aanwezigheid van iedereen: Ik getuig dat er geen god is dan Allah en Mohammed de boodschapper is van Allah. Nu ben ik dus een moslim.”

(Majlīs Hakim al-Ummat, samengesteld door Maulavi Mufti Muhammad Shafi, voormalig Hoofdmoefti van Pakistan, gepubliceerd door Dārul Ishā’at, Karachi, p. 196-197)

 

16. Maulana Abul Kalam Azad (gest. 1958)

 

Hij was een moslimtheoloog, geleerde en auteur van deze eeuw in India, die ook hoge politieke en ministeriële posten bekleedde in de republiek India. In zijn bekende Urdu-commentaar van de Koran schrijft hij:

 

“Hier richten wij de aandacht op slechts één zaak. Wat de islam tot basisuitdrukking heeft gemaakt van zijn lering is bij iedereen bekend – Ash-hadu an lā ilāha ill Allāh, wa ash-hadu anna Muhammad-an abduhā wa rasūlu-hū. Dat wil zeggen, ik erken dat er niemand aanbeden dient te worden behalve God en ik erken dat Mohammed de dienaar van God en Zijn boodschapper is.”

(Tarjuman al-Qurān, Delhi, 1931, vol. 1, p. 119)

 

17. Maulana Shibli (gest. 1914)

 

Shibli, een vermaarde Indiase moslimgeleerde, schrijver en historicus van de islam, heeft in zijn boek over theologie en filosofie geschreven:

 

“De grondbeginselen die de basis vormen van de islam zijn tauhīd [geloof in de Eenheid van God] en nubuwwah [geloof in het profeetschap van de Heilige Profeet Mohammed]. Wie dan ook Lā ilāha ill-Allāh zegt, hij treedt de tuin [van de islam] binnen. Dit is de islam – simpel, duidelijk en beknopt. Deze eenvoud is het onderscheidende kenmerk van de islam vergeleken met andere godsdiensten, en een Europese geleerde heeft zijn mening weergegeven over deze eenvoud in de volgende woorden: Indien een christelijke denker een blik zou werpen op de lange en gecompliceerde geloofspunten van zijn godsdienst, dan zou hij uitroepen, Waarom kon mijn godsdienst niet zo duidelijk en simpel zijn dat ik een gelovige kon zijn door [zoiets simpels als] het geloof in één God en in Zijn boodschapper Mohammed te verklaren. In feite waren deze de enige twee verklaringen, door die op te zeggen en het geloof daarin te uiten, waardoor een kāfir een moslim werd, een slechterik rechtschapen werd, een boosaardige veelbelovend werd en een verworpene een gekozene werd.”

(Ilm al-Kalām aur al-Kalām, Karachi, 1976, p. 273)

 

18. Maulana Shabbir Ahmad Usmani

 

Deze hedendaagse theoloog schrijft:

 

“Het woord moslim betekent slechts dat iemand die daartoe gerekend wordt beweert tot de islam te behoren en de heilige kalima opleest: Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah.”

(Khutbat Sadarat, p. 15)

 

19. Qari Muhammad Tayyib

 

Het hoofd van de Jamī’a Qasimiyya, Dārul Ulūm, Deoband, India, heeft  geschreven:

 

Derhalve, bij het introduceren van een bekeerling tot de islam, kan van hem verlangd worden de kalima tayyiba of de kalima shahāda op te zeggen. In beide gevallen zal hij de islam binnentreden.”

(Kalima Tayyiba, Deoband, 1369 n.H., p. 66)

 

20. Maulavi Muhammad Yusuf Banori

 

De Shaikh al-Hadies (grote geleerde van de Hadies) aan de Jamī’a Islamiyya in Dabhail, schrijft:

 

“Het is spijtig te moeten weten dat heden een nieuwe zorg op verbazingwekkende wijze de kop opsteekt. Namelijk, de kalima van de islam, Er is geen god dan Allah, Mohammed is de boodschapper van Allah, wat de basisleerstelling van de islamitische godsdienst is en de scheidslijn tussen ongeloof en islam, is nu het onderwerp van discussie.”

(Ibid., p. 2-3)