| De Islamitische
opvatting van aanbidding |
||
| S. Muhammad Tufail
|
||
| Terug naar Hoofdmenu |
|
|
| |
De houding van een scepticus of een apologeet tegenover aanbidding Voor een scepticus behoren aanbidding en gebed niet tot de fundamentele en enige werkelijkheid van het leven. Hij beschouwt ze als een leugen of een auto-suggestie, een misleiding, een najagen van eigen droombeelden, een kreet in de wildernis of een primitief geprevel van een wilde, dat uit angst voortkomt. Voor hem is het een vlucht uit het leven, die alleen maar helpt om iemand vadsig en lui te maken. Wanneer alles volgens natuurlijke wetten verloopt is er geen behoefte aan aanbidding en gebed. Dan is er het standpunt van de apologeet, de geloofsijveraar, over gebed. In de grond aanvaardt hij wat de scepticus zegt, maar hij bepleit dat het een noodzakelijk iets in het leven is, of het nu een fundamentele werkelijkheid is of niet; als het een leugen is, dan is het een gezonde leugen, die aan de mens een soort vertrouwen geeft of het in hem herstelt; al is het dan een auto-suggestie, zij heeft haar waarde voor de lijdende miljoenen; als het een misleiding is, een alleenspraak of het gevolg van iemands droombeelden, laat het dat dan blijven voor het welzijn der mensen; het kan hen verlossen van nerveuze spanningen en hen er voor behoeden zenuwwrakken te worden. Er steekt geen kwaad in, redeneert hij, als mensen hun vragen en smeekbeden richten tot een wezen dat niet bestaat, of, mocht Hij wel bestaan, niet tussenbeide kan komen in de menselijke aangelegenheden des levens. In de Islam is aanbidding ('ibadah) het doel waarvoor de mens geschapen is Als de opvatting over gebed en aanbidding een illusie is en geen werkelijkheid, dan is het begrip godsdienst op zichzelf een illusie. Wat er dan nog van de godsdienst overblijft is slechts een filosofie en een koude, rationele kijk op het leven. Een dergelijke houding is onaanvaardbaar voor een Moslim. In de Islam is aanbidding niet alleen het grondbeginsel van het religieuze leven, maar van het leven zelf. Het is het doel waarvoor de mens geschapen is. De Koran zegt: Ik heb ... en mensen met geen ander doel geschapen, dan opdat zij Mij zouden dienen. (51-56) {1} Het Arabische woord voor aanbidding is 'ibadah wat letterlijk betekent: het dienen, aanbidden, loven of gehoorzamen van God in nederigheid en onderworpenheid. {2} Deze regels tonen aan de ene kant, dat het bestaan van de mens in deze wereld niet zonder doel is, en aan de andere kant, dat het hoogste doel waarvoor hij is geschapen 'ibadah is. Bij zijn geboorte is hij een hulpeloos wezen, hoewel hij immense mogelijkheden heeft om ten volle zijn bekwaamheden te verwezenlijken en in dit leven volmaaktheid te bereiken door God te leren kennen, lief te hebben en te dienen, m.a.w. door 'ibadah. Alleen door in overeenstemming met Gods wil te handelen kan de mens het beste in zichzelf tot werkelijkheid maken. Als hij God dient is dit in generlei opzicht heilzaam voor God, Die de Bron is van alle goedheid en macht en geen menselijke hulp nodig heeft. Het is tot 's mensen eigen heil dat hij zich onder goddelijke bescherming stelt en voor Hem leeft en sterft. De liefde voor God moet de drijfveer zijn van zijn doen en laten en niet de liefde voor zichzelf of zijn familie, volk of land. Alle rechten en verplichtingen van het leven moeten voortkomen uit liefde voor het Goddelijk Wezen. Algehele overgave aan Hem is het doel van de Moslim. "Zeg: Mijn gebeden en mijn aanbidding, en mijn leven en mijn dood zijn Gode gewijd, de Heer van alle schepselen, die geen gelijke heeft. Dit werd mij geboden, en ik ben de eerste Moslem." (6:163-164) 'Ibadah is dus geen zelfopgelegde levensnoodzaak, het is in feite de ziel en essentie van het leven, waarbuiten geen vooruitgang in menselijke aangelegenheden mogelijk is. Gebed is een deel van 'ibadah. Het zoeken naar een oplossing of een middel voor iets door hierover te denken, het te overwegen en er zich op te concentreren brengt ons in een toestand van gebed. Wanneer wij trachten de realiteit van verborgen waarheden te vinden, wanneer wij in nood onze handen uitstrekken om hulp, wanneer wij hunkeren naar troost en soelaas, wanneer wij uitzien naar een straal van hoop en licht in de duisternis, zijn wij in gebed, of wij het beseffen of niet. En als het licht schijnt, herkent de door onwetendheid gesluierde zoeker de bron niet-- de bron van Licht, Genade en Barmhartigheid. Hij mag deze dan niet gewaar zijn, maar zijn hulpeloze toestand (die ik de staat van gebed heb genoemd), heeft de goddelijke genade aangetrokken. Alleen de geestelijk ontwaakte mens ziet Gods hand werkzaam in menselijke aangelegenheden. Aldus is aanbidding in haar elementaire vorm een feit van het menszijn, een fundamentele waarheid en werkelijkheid van het leven, en in gerijpte vorm heeft zij voor de geestelijk ontwaakte mens een hogere en speciale betekenis. Voor hem is het gemeenschap met God, die transcendent is, maar niet zo volslagen transcendent dat vriendschap met of dienst aan Hem niet mogelijk zou zijn. Werkelijke aanbidding is dus niet alleen een daad van devotie t.o.v. de Ongeziene, maar ook een intiem gesprek met Hem, dat iemand Gods leiding, gezelschap en vriendschap brengt. De verhouding tussen de mens en het gans Andere is een actieve, wederzijdse relatie. In het gebed wordt iets tot stand gebracht. Ware dit niet zo, dan zou het gezegde van Abraham tot zijn vader, zoals vermeld in de Koran, in het geheel geen waarde hebben. "Toen hij (Abraham) tot zijn vader zeide: O mijn vader, waarom aanbidt gij datgene, wat noch hoort, noch ziet en u volstrekt niet van voordeel is?" (Koran 19:43) Abraham heeft de afgodendienst, die in feite misplaatste aanbidding is, openlijk veroordeeld, omdat de afgoden horen noch zien en hun aanbidders evenmin kunnen helpen. De Koran heeft hierop herhaaldelijk de nadruk gelegd: "Uw Heer zeide: Roept Mij aan en Ik zal u verhoren" (40:62) "Als mijn dienaren u omtrent Mij ondervragen, zal ik nabij hen zijn; Ik verhoor het gebed van hen die een beroep op Mij doen; doch dat zij naar Mij luisteren en Mij geloven, opdat zij langs de rechte weg geleid worden." (2:182) "Is niet Hij de waardigste, die de bedroefde verhoort als hij Hem aanroept?" (27:63) Deze empirische benadering van aanbidding is het tegengestelde van het geloof dat God het onbenaderbare is of een louter kosmische Kracht. De theorie dat gebed geen echte beleving is, maar een auto-suggestie, een misleiding of slechts een alleenspraak of geprevel tot zichzelf, is niet alleen door de Koran verworpen maar ook door vroegere heilige schriften. Een paar aanhalingen zijn voldoende: "Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds. Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijne goedertierenheid van mij." (Psalm 66:19-20) "De Here is ver van de goddelozen; maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoren." (Spreuken 15:29) "En wij weten dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand Godvruchtig is, en Zijn wil doet, dien hoort Hij." (Joh. 9:31) Als verzoek en smeekbede van de godvruchtige niet verhoord worden door God, als er geen intieme omgang of overdracht tussen hen bestaat, als de zachte majestueuze stem van de Oneindige niet door het eindige wordt vernomen, als de genade en barmhartigheid van de Genadige en Barmhartige niet ten deel vallen aan de rechtschapenen en behoeftigen, is er geen hoop voor de mens op spirituele vooruitgang of voor de toekomst van de godsdienst. Auguste Sabatier, een vrijzinnig Frans theoloog, zegt: "Gebed is religie in actie, d.w.z. gebed is ware religie. Gebed onderscheidt het religieuze fenomeen van het bijna daaraan gelijke of nabijkomende fenomeen van het zuiver morele of esthetische sentiment. Religie betekent niets, wanneer zij niet de vitale daad is, waardoor het denkvermogen zichzelf tracht te bevestigen door vast te houden aan de bron waaraan het zijn leven ontleent. Deze daad is het gebed, waaronder ik geen ijdele herhaling van woorden versta, geen herhaling van bepaalde heilige formules, maar de zielsbeweging, die een persoonlijke relatie of contact teweegbrengt met de mysterieuze macht waarvan het de aanwezigheid voelt, zelfs voordat hieraan een naam kan worden gegeven. Waar ook deze innerlijke daad, dit gebed zich manifesteert en de ziel beweegt, hebben wij, zelfs in afwezigheid van vormen en leerstellingen, te maken met levende religie. Hieraan ziet men waarom de zogenaamde "natuurlijke godsdienst" geen godsdienst is. Zij snijdt de mens af van het gebed. Zij houdt de mens en God van elkaar verwijderd, zonder intieme omgang, innerlijke samenspraak of wisselwerking, er is geen werking Gods in de mens, geen terugkeer van de mens tot God. In de grond is deze zogenaamde godsdienst alleen maar een filosofie. Geboren in tijden van rationalisme, van kritisch onderzoek, was zij nooit meer dan een abstractie. Als kunstmatige en dode schepping openbaart zij de onderzoeker nauwelijks iets van de karaktertrekken eigen aan de godsdienst." (Auguste Sabatier: Esquisse d'une Philosophie de la Religion, 2me ed. 1897, p.p. 24-26, abridged as quoted in William James's The Varieties of Religious Experience, the Modern Library, New York edition, p.p. 453-456). Herdenking en aanbidding van God weerhoudt ons van wat laakbaar en slecht is Het doel van de schepping van de mens is, zoals tevoren gezegd, 'ibadah, en het doel van 'ibadah is het herdenken van God. "Waarlijk, Ik ben God," zegt de Koran, "er is geen God buiten Mij: aanbid mij dus en doe uw gebed ter Mijner herinnering." (20:14) De betekenis van het herdenken of het loven van God wordt nog op een andere plaats in de Koran duidelijk gemaakt: "Herdenkt wat u van het boek des Korans werd geopenbaard, en weest standvastig in het gebed, want het gebed behoedt de mens voor vele misdaden en voor hetgeen laakbaar is, en de herdenkingen van God zijn zeker één der belangrijkste plichten: God weet wat gij doet." (29:44) Herdenken (dhikr)is iets in de geest terugroepen wat afwezig was of iets wat men uit het hoofd moet kennen. In bovenstaande regels betekent het herdenken van God, dat ons bewustzijn van de gedachte aan Hem vervuld moet zijn. Hij is alomtegenwoordig en kent ons bedoelen en ons handelen, maar wat Hij van ons verwacht is dat wij ook Zijn tegenwoordigheid in ons leven beseffen, het enige waardoor wij ons uit de netten van het kwaad bevrijden en spirituele rust bereiken. Met rust bedoel ik geen toestand van inactiviteit, maar dat gevoel van dankbaarheid, dat voortkomt uit onze volkomen overgave aan God door het pad der rechtschapenheid te bewandelen, hoe bochtig en moeilijk dit ook moge zijn. Herdenking van God is enerzijds de machtigste en doeltreffendste beteugeling van zonde, anderzijds verheft het iemand tot spirituele hoogten. Een commentaar van Mohammed 'Ali luidt: "Een levend geloof in Gods macht, kennis en goedheid weerhoudt de mens ervan langs Hem mishagende wegen te gaan. Een vast en zeker weten dat iedere verkeerde daad een verkeerde uitwerking heeft dat er een Opperwezen bestaat, dat weet wat voor mensenogen verborgen blijft en Wiens zedelijke wet zijn uitwerking doet gelden waar het moreel van de maatschappij in gebreke blijft, dat Hij de bron van alle goedheid is en dat de mens door goedheid gemeenschap met hem heeft, is de enige doeltreffende beteugeling van het kwaad. Ook moet men in gedachte houden dat het opzeggen van de Koran, het onderhouden van het gebed en de herdenking van God identiek zijn, want de Koran wordt gereciteerd in de gebeden en is het beste middel om God te gedenken. Iedere regel ervan stelt de lezer de goedheid, macht en kennis van het Goddelijk Wezen voor ogen, terwijl er geen ander boek is dat in deze behoefte voorziet. De Koran is geen wetboek, hoewel zij wetsbeginselen inhoudt nodig voor 's mensen leiding, ook is zij geen boek van heilige overleveringen, hoewel zij de nodige heilige overleveringen bevat, doch allereerst is zij een boek dat de heerlijkheid, grootheid, verhevenheid, goedheid, liefde, reinheid, macht en kennis van het Opperwezen tot uitdrukking brengt. Terwijl, volgens algemeen begrip, met het herdenken van God Zijn verheerlijking en lof in het gebed bedoeld wordt, heeft, naar verluidt, Ibn 'Abbas gezegd dat hier met dhikr (herdenking) van God, bedoeld wordt Gods gedenken van de mens of het opgeheven worden tot een hoger niveau. (Jami al'-Bayan fi Tafsir al-Quran door al- Imam Abu' far Muhammad Ibn Jarir al-Tabari). Aldus zou het betekenen dat door zijn gebed tot God, de mens niet alleen bevrijd wordt van de gevangenschap der zonde, maar hierdoor, en dat is meer, tot een hoger niveau wordt opgeheven." (Muhammad 'Ali, The Holy Qur'an, Arabic text, translation and commentary, 4th edition. Ahmadiyya Anjuman Isha'at Islam, Lahore, Pakistan, 1951, p.p. 768-769). Aanbidding is aldus de eerste stap naar geestelijke vervolmaking van de mens. Het weerhoudt hem niet alleen van kwaad, maar zuivert ook zijn innerlijk (nafs), zijn ziel, en heft hem op. (91:9) De zuivering van het hart of het gevoel is een noodzakelijke voorwaarde daartoe. Deze taak is in geen geval gemakkelijk, daarom zegt de Koran: "Roept geduld en gebed ter hulpe, het gebed is licht voor de gelovige." (2:42) Standvastigheid is het belangrijkste op elk levensgebied en dus ook in geestelijke aangelegenheden. "Verricht het gebed, geeft aalmoezen, en het goede wat gij hier voor uw zieleheil doet, vindt gij eens bij God weder; want God weet wat gij doet." (2:104) Als aanbidding iemand niet weerhoudt van wat laakbaar en verkeerd is en iemand niet van zondigen afhoudt, als het hart, het gevoel of nafs er niet door gezuiverd wordt, als zij iemand niet de les van standvastigheid en geduld leert en niet helpt het goddelijke in zichzelf te verwezenlijken, is er iets niet in orde met zijn aanbidding en herdenking van God. In plaats van een gesprek met God is het een alleenspraak geworden. Voor een scepticus zijn niet alleen aanbidding en gebed, maar is de gehele godsdienstige idee gebaseerd op vrees en onwetendheid. Door vrees voor het onbekende, kreeg de primitieve mens, volgens hem, behoefte in iets bovennatuurlijks te geloven. Voor een moslim is de Gods idee een openbaring en geenszins het produkt van een psycho-sociale ontwikkeling of een uitvinding van de menselijke geest onder de druk van angstaanjagende omstandigheden. De Koran gebruikt de uitdrukking "vreest God", maar zoals zeer juist gezegd is" De vreze des Heren is de tucht der wijsheid" (Spr. 15:33) en "De vrees des Heren is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht." (Spr. 1:17) Er zijn veel soorten van vrees. Eén daarvan staat dichtbij eerbied en liefde; nl. het ontzag voor wie men het meest liefheeft. De vrees van een intelligent mens, die zichzelf en wie hij liefheeft wil beschermen, verschilt volkomen van de vrees van een laf en onwetend mens. Voor de geestelijk gerijpte mens is de vrees het voorwerp van zijn liefde te mishagen een bron van leiding en licht. Zij licht hem in over de wegen des Heren en leert hem algehele overgave aan God in leed en vreugde; hij bereikt het stadium waarin hij uit het diepst van zijn hart kan zeggen: "Lof aan God, Meester des Heelals". (Koran 1:1) Het Arabische woord hamd betekent het gevoel van dankbaarheid dat spontaan uit het hart oprijst. Dit spontane gevoel van dankbaarheid, dat verworven werd door een voortdurende emotionele en spirituele strijd, kan zeker niet het resultaat zijn van laffe vrees, die van elk intellectueel element verstoken is. Dominee T. A. Burkill heeft hierover een waardevolle opmerking gemaakt: "De natuur kan, door haar vreemde en afschrikwekkende aspecten, gespannen aandacht en verlammende vrees oproepen in een dier, maar dit is in het minst geen aanbidding, want bij aanbidding is altijd het metafysische vermoeden aanwezig dat het Mysterium Tremendum op een of andere wijze verband houdt met 's mensen bezorgdheid omtrent zijn lot, en een dergelijk vermoeden vooronderstelt iets van intellectuele werkzaamheid, hoe rudimentair ook." (The Hibbert Journal, uitgegeven door Allen & Unwin, London, juli 1960, p. 344) Tenzij deze intellectuele werkzaamheid aanwezig is, kan men God noch waarlijk vrezen, noch waarlijk liefhebben. Hierom wordt op vele plaatsen in de Koran overdenking (fikr) tezamen met herdenking van God genoemd, b.v.: "Die staande, liggende en zittende aan God denken, en, bij het nadenken over de schepping van hemel en aarde, uitroepen: Heer! Gij hebt dit niet zonder reden geschapen." (3:188) Deze regels wijzen er eveneens op dat het herdenken van God, dat het hoofddoel van de aanbidding is, niet aan vastgestelde tijden gebonden is, maar beschreven wordt als een geesteshouding en levenswijze en geassocieerd wordt met overdenken en beschouwen van Gods schepping. De tekenen Gods in het menselijk leven en in de overige schepping zijn duidelijk voor hen die "weten, begrijpen en geloven". (6:98-100) Het herdenken van God en hamd (dankbaarheid) zijn dus niet (of zouden het niet moeten zijn) het gevolg van vrees. Zij moeten een spontane werkzaamheid van de ziel en geest van de gelovige worden. In dit stadium helpen zij hem zich van angst en droefheid te bevrijden. De Koran zegt: "Zijn Gods vrienden niet de personen die door geen vrees zullen worden aangedaan en die niet bedroefd zullen worden? Zij, die in God geloven en hun plicht doen, zullen goede dingen in dit leven en het volgende ontvangen." (10:63-65) Op een andere plaats wordt gezegd dat "God diegenen tot Hem voert die zich tot Hem keren." "Zij die geloven, en wier harten in zekerheid rusten in de overpeinzing van God. Rusten de harten der mensen niet zeker in de herdenking van God?" (13:28) Is gebed een vlucht uit het leven? Zoals werd uitgelegd is gebed voor een moslim de kern en essentie van het leven. Hulp zoeken door gebed en geduld is moeilijk. Het vraagt volharding, geloof en ernst ons bewustzijn te vullen met de gedachte aan God. Om de hoogste graad van morele en spirituele ontplooiing te bereiken door het gedenken van God vergt een levenslange strijd en Gods genade. Daarvoor is overgave aan de wil van God nodig, en gehoorzaamheid gepaard aan de uiterste onderwerping, wat de ware betekenis is van 'ibadah', zoals reeds werd gezegd; in feite betekent het zich zelf aan God verkopen. "Een ander heeft zichzelven verkocht om God te behagen. God is barmhartig voor hen die Hem dienen." (2:203) Een waarlijk goed dienaar van God is iemand die zich door beproevingen en lijden niet afkeert van zijn Heer. In feite kunnen de innerlijke en uiterlijke vermogens van de gelovigen zich slechts ten volle ontplooien in tegenspoed. Vriendschap die niet op de proef werd gesteld is onrijp en onvolledig. Wij ontvangen alleen Gods genade en zegening als wij Zijn wil hebben gedaan en ons standvastig, geduldig en trouw hebben betoond in ons lijden. "O gelovige! smeekt om hulp met geduld en gebed; want God is met de geduldigen. Zegt niet van hen, welke op Gods weg gedood werden: "Zij zijn dood", maar "Zij leven", want dit verstaat gij niet. Waarlijk wij willen u beproeven door vrees en honger en schade, welke gij aan vermogen, leven en vruchten zult lijden. Maar verkondig heil aan de vrome lijdenden. Hun die bij een ongeluk uitroepen: "Wij behoren Gode en keren eens tot Hem terug. Over hen komt zegen en barmhartigheid: zij zijn op de rechten weg." (2:148-155) Louter kennis van geestelijke zaken, hoe groot ook, baat niet, tenzij men door dik en dun door de levensstrijd is heengegaan. Kunnen we van zo iemand zeggen dat hij een vlucht uit het leven zoekt? De verdenking hiervan is fout op het eerste gezicht. Ook wordt gezegd dat gebed helpt om de mens indolent en lui te doen worden. Niets is verder van de waarheid. God een gunst te vragen zonder daarvoor iets van onze kant te doen gaat tegen de geest van aanbidding en gebed in. Een moslim uit tijdens zijn rituele gebeden verschillende malen: "Leidt ons op de rechten weg" of "Voer ons op de rechten weg." De poging tot bereiken van onze bestemming langs de weg der rechtschapenheid is aan ons. Wij vragen Gods leiding en hulp om ons op de rechte weg te houden. Wij moeten de afstand zelf afleggen en alle moeilijkheden die wij tegenkomen in het gelaat zien in overeenstemming met de wil en het gebod van God. In feite is het vragen om goddelijke hulp, bij het gaan langs Hem behagende wegen, deel hebben aan de grootste verantwoordelijkheid. Met het oog op de zware taak is het niet verwonderlijk dat het verlangen van de ziel om de juiste weg uit de juiste bron te leren kennen toeneemt. Want als wij onze gebeden niet tot de juiste bron richten, zal al onze moeite tevergeefs zijn. "Hij is alleen waardig te worden aanbeden, en de afgoden die zij naast Hem aanroepen, zullen hen volstrekt niet horen; evenmin als degeen wordt verhoord, die zijn handen naar het water uitstrekt, opdat het tot zijn mond opstijge, ofschoon het hem nimmer kan bereiken; de smeking der ongelovigen is geheel verkeerd." Daarom zei Abraham tot zijn vader: "O mijn vader, waarom aanbidt gij datgene, wat noch hoort, noch ziet en u volstrekt niet van voordeel is?" (19:44) Daar het rechte pad altijd met moeilijkheden is bezaaid, hebben wij voortdurend Gods vriendschappelijke hulp nodig om onze bestemming te bereiken. Er ligt schoonheid in de uitdrukking: ihdna al-sirat al-mustaqim. (Leidt ons op de rechten weg.) Voor leiding is het Arabische woord hidayah, wat zeggen wil: "Vol goedheid leiding geven en de weg wijzen tot men zijn bestemming bereikt." (Taj al-'Arus) Bovendien wordt in de Koran gebedsverhoring verbonden aan de beloning van moeilijk werk. "Ik laat geen goede daad verloren gaan, wie die ook gedaan hebbe; hetzij man of vrouw'. De ene is uit de andere gesproten." (3:193) Ergens anders wordt gezegd: "Maar naast de tegenspoed is het geluk. Waarlijk, naast de tegenspoed is het geluk." (94:6) En ook: "Waarlijk wij hebben de mens in ellende{3} geschapen." (90:4) "En dat de mens, die rechtvaardig is, niets zal worden opgelegd, behalve zijn eigen arbeid. Dat zijn arbeid hiernamaals zeker naar waarde zal worden geschat. En dat hij daarvoor met de meest overvloedige beloningen zal worden beschonken. Dat het einde van alle dingen bij de Heer zal wezen." (53:40-43) Het leven van de Profeet Mohammed en zijn metgezellen is een levend voorbeeld van hun inzicht in de betrekking tussen gebed en arbeid. Zij besteedden een groot deel van de nacht aan aanbidding en van de dag aan de strijd voor de verheerlijking van hun geloof. Gebed wekte in hen "de latente krachten in de menselijke ziel", die hen hielpen zich zowel in wereldlijke als in geestelijke levenssferen te ontwikkelen. Laten wij bedenken dat het gebed een deel is van de inspanning die wij ons getroosten voor het welslagen van ons doel. Voor een geestelijk mens gaat het eerder aan de inspanning vooraf. De sluimerende energie wordt door middel van het gebed gewekt. "Het gebeurt dikwijls", zegt Muhammad Ali, "dat ondanks de grootste strijd, een mens niet in staat is zijn doel te bereiken en zich geheel en al hulpeloos voelt. In zo'n geval is het gebed een hulp, een bron van kracht. Hij laat de moed niet zakken en wanhoopt niet, want hij gelooft, dat, hoewel de middelen waarover hij beschikte faalden, hoewel zich overal moeilijkheden voordoen en er geen uitzicht is, hoewel zijn eigen kracht ontoereikend is, er een hogere macht bestaat, waarbij niets onmogelijk is, die de duisternis toch door een lichtstraal kan doen verdwijnen en die een niet aflatende bron van kracht in zijn hulpeloosheid voor hem is; en dat hij door tot Hem te bidden alsnog bereiken kan wat op andere wijze geheel onbereikbaar lijkt. Dat is de functie van het gebed en alzo een van de middelen om tot een doel te geraken, wanneer alle andere middelen faalden; een bron van kracht voor iemand in ogenblikken van uiterste zwakte en wanhoop." (Muhammad 'Ali, The Religion of Islam, 1950 edition, p. 379). Er zijn mensen die denken dat gebed van generlei waarde is als alles in het leven is voorbeschikt en dat wat te gebeuren staat, gebeuren zal, onafhankelijk van ons smeken, vragen of bemiddelen bij God voor onszelf of een ander. Zo'n bedenking is het gevolg van onze verkeerde opvatting van het Goddelijk Wezen. Wij denken dat God als een horlogemaker is, die, nadat het horloge uit zijn handen kwam, er niets meer mee te maken heeft. Op die manier wordt God slechts de toeschouwer en wel een hulpeloze toeschouwer van Zijn arme lijdende schepping. Zo'n God is slechts de God van het verleden, Wiens macht en leiding daarin is blijven steken, d.w.z. dat Hij de leiding over de bestemming der dingen verloren heeft, over dingen die door Hem geschapen en in het leven geroepen zijn. Alzo is Hij niet de God van het heden en de toekomst. Maar als er enige leiding t.o.v. de bestemming der dingen in Gods hand is gebleven, dan bestaat evengoed de mogelijkheid daarin verandering te brengen. Voor een moslim heeft God het volmaakte toezicht op Zijn schepping in tijd en ruimte. Hij is malik-i jaum al-din, i.e. Rechter op de dag des gerichts. (1:3) Het woord jaum (dag) in de Koran heeft zowel betrekking op één moment als op vijftig duizend jaar. (70:4) {4}) Aldus is Hij Meester van elk moment van ons leven hier en in het hiernamaals. Meester (of Rechter) van de dag des gerichts betekent Meester van de wet des gerichts, die elk moment van ons bestaan werkt. Zelfs de wet van de schepping heeft niet opgehouden op een zeker ogenblik in het verleden. Zij is een voortdurend proces, zoals duidelijk wordt aangeduid in de Koran: "Koella jaum-in howa fi sjan"Iedere dag is Hij met een nieuw werk bezig. (55:29) Het is niet mogelijk alle geheimen van Zijn schepping te peilen. Gebed is slechts een middel om terug te vallen op de bronnen van Zijn oneindige kennis en macht, waarvan wij zo weinig begrip hebben. Hierbij denk ik aan een gebed van de Profeet Mohammed dat hij bij een bepaalde gelegenheid leerde: "O God! ik verlang naar Uw zegen door Uw kennis, en ik vraag U om macht door Uwe macht, en ik smeek om Uw grote genade, want Gij hebt de macht en ik niet, Gij weet en ik niet, Gij zijt de grote kenner aller dingen. O God! als Gij weet dat deze zaak goed voor mij is, t.o.v. mijn godsdienst en mijn leven en de uitslag ervan, beveel haar dan voor mij en maak het mij gemakkelijk en zegen mij daarmee; en als Gij weet dat deze zaak slecht voor mij is t.o.v. mijn godsdienst en mijn leven en de uitslag ervan, keer haar dan van mij af en keer mij van haar af en beveel wat goed voor mij is, waar dan ook, en maak mij daarmee tevreden." (Al-Bukhari, 19-25) Ondanks de theorie van natuurwetten en voorbeschikking geven wij de pogingen om onszelf te helpen nooit op. Als wij ziek worden, gaan wij naar een dokter, als een huis in brand staat, roepen wij de brandweer. Om een uiterst eenvoudig voorbeeld te geven, wij drinken water om onze dorst te lessen, omdat wij weten dat in de z.g. voorbeschikte levenszaken God bepaalde wegen en middelen heeft aangewezen om bepaalde menselijk moeilijkheden te doen verdwijnen. Zo is ook gebed een middel om Gods genade tot zich te trekken in tijden van nood; net als andere middelen die wij gebruiken om ons doel te bereiken. Na hiermee enkele van de hoofdbezwaren tegen het gebed besproken te hebben, wil ik nu enkele andere aspecten van aanbidding in de Islam behandelen. In de Islam is aanbidding verbonden aan het dienen van de mensheid In de Islam is aanbidding geen leeg stelsel van kerkgebruiken. Zij vormt een integrerend deel van ons dagelijks gedrag, bepaalt onze levenshouding en helpt ons morele en spirituele vervolmaking te bereiken. Zij behoort ons aan te zetten tot belangeloos dienen van de mensheid en het helpen van behoeftigen. Als zij er niet in slaagt de rechten van wezen en behoeftigen te beschermen, is zij van geen waarde. Dan wordt zelfs de godsdienst, die iemand uiterlijk belijdt, gelogenstraft door zijn gedrag. "Wat dunkt u van hem, die het toekomstige oordeel als een valsheid loochent? Het is degeen, die de wees verstoot en anderen niet aanspoort de arme te voeden. Wee over hen, die bidden, maar die achteloos in hun gebed zijn; die de huichelaars spelen en de behoeftige de nodige aalmoes onthouden. (Koran 107:1-7) Aanbidding verliest daarom alle betekenis als zij slechts een vertoning van vroomheid wordt, een louter dagelijkse sleur en alleen maar een woordelijke herhaling van bepaalde formules. Aanbidding, die gescheiden wordt van het leven met zijn morele en geestelijke eisen en verplichtingen, logenstraft in feite de godsdienst. Op een andere plaats in de Koran staat: "De godvruchtigheid bestaat niet daarin, dat gij uw gezicht (bij het gebed) naar het Oosten of het Westen wendt. Godvruchtig is hij die aan God gelooft, aan de jongste dag en de engelen en de schrift en de profeten, die van zijn vermogen geeft aan aanverwanten, wezen en armen en de vreemdelingen, en hun die vragen; hij die gevangenen loskoopt, het gebed verricht en aalmoezen geeft; die aangegane verbintenissen nakomt; die geduldig is in tegenspoed, nood en krijgsgevaar; hij is rechtvaardig; hij is godvrezend." (2:172) De vorm van aanbidding in de Islam Als wij de geest en betekenis van aanbidding in de Islam begrepen hebben, is het niet moeilijk de behoefte aan een bepaalde voorgeschreven vorm daarbij te waarderen. In de Islam is het gebed, dat op een bepaalde manier op vastgestelde tijden wordt verricht, een integrerend deel van haar systeem. Naast het geestelijk en zedelijk voordeel daaraan verbonden, heeft het een belangrijk sociaal aspect. Het helpt om alle verschil van ras, kleur, rang en nationaliteit tussen de volgelingen neer te halen. Bij het gebed staan prins en bedelaar schouder aan schouder. Door deze regelmatige training bestaat er geen rassenprobleem in de Islam, noch in theorie, noch in praktijk. Daarbij zijn in de aanbidding van de Moslim alle mogelijke houdingen gecombineerd, die nodig zijn voor het ontwikkelen van de juiste eerbiedige houding. Staande, buigende, zich ter aarde werpende en zittende houdingen dienen ertoe het hart van een aanbidder te bezielen met gevoelens van nederigheid voor het Goddelijk Wezen. Voor een buitenstaander mogen verschillende houdingen vreemd schijnen, doch zij zijn de zelfde die door vroegere profeten en hun volgelingen werden aangenomen bij het gebed. Om enkele voorbeelden aan te halen: "Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor de Here, die ons gemaakt heeft. (Ps. 95:6) ... "zo vielen zij op hun aangezichten" ...(I Kon. 18-39) En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende"...(Matth. 26:39, Mark. 14:35) De laatste aanhaling laat zien hoe Jezus zich ter aarde wierp en bad en aldus zijn leerlingen leerde bidden en aanbidden. Er heerst ook enig wanbegrip over het herhaald verrichten van de liturgische gebeden. Evenals wij vijf of zes maal per dag voedsel gebruiken, moeten wij ook enig malen per dag geestelijk voedsel tot ons nemen. Herhaling is het geheim van schoonheid. Hoe dikwijls herhaalt zich niet het patroon van een tapijt of behang om er een schoon geheel van te maken! Naast deze vorm van aanbidding op vastgestelde tijden, wordt de eis gesteld zich te wassen en zijn kleren schoon te houden. Met uiterlijke reiniging begint aldus de spirituele reiniging. God spreekt tot de Profeet Mohammed in de volgende woorden: "O gij, die met een mantel bedekt zijt! Rijs op en predik. Verheerlijk uw Heer. Reinig uw klederen! Ontvlucht iedere schande (onreinheid). (74:1-5) "Want God bemint hen die berouw hebben en de reinen. (2:222) "O, ware gelovige! indien gij u tot het gebed gereed maakt, was dan uw aangezicht, en uw handen tot onder de ellebogen; wrijf u het hoofd en ook de voeten tot aan de hielen." (5:8) De Profeet moet gezegd hebben: "Reiniging is de helft van de godsdienst." (Mishkaat al-Masabih) En bij een andere gelegenheid, zei hij: "De sleutel tot het paradijs is gebed en de sleutel tot gebed is reiniging." (Ibid) Eens vroeg hij zijn metgezellen: "Zeg mij, als er een beek langs iemands deur stroomt, waarin hij vijf maal per dag baadt, zal er dan iets wat vuil is aan hem achterblijven?" Zij antwoordden: "Er zal niets vuils achterblijven!" Hij zei: "Insgelijks de vijf gebeden, waarmee God alle fouten uitwist". Aanbidding is voor een moslim een morele en spirituele discipline, waarbij geduld, volharding, overgave, nederigheid, regelmaat en reinheid zeer essentieel zijn voor hij de vruchten en zegeningen van het gebed kan genieten. Bovenal schreeuwt de nood van vandaag om een houding van aanbidding. Alleen deze houding kan de genade van God tot de mensen trekken. Duisternis kan geen duisternis doen verdwijnen. Licht kunnen wij alleen ontvangen uit de Bron van licht. De mensen tasten tegenwoordig rond in het duister en weten niet hoe zij alle wetenschappelijke ontdekkingen ten goede kunnen gebruiken en dit heeft hen tot aan de rand der vernietiging gebracht. Laten wij allen uit het diepst van ons hart bidden: "O Heer, leidt ons op de rechte weg." Amen Noten 1. Alle teksten uit de Koran zijn overgenomen uit de Nederlandse Koran, 4e druk 1916 uitgegeven onder toezicht van Dr. S. Keyzer. 2. Andere in de Koran gebruikte uitdrukkingen voor aanbidding zijn: salah-gebed, of rituele eredienst; doe'a-smeekbede. B.v. "O Heer, ik heb een deel mijner afstammelingen in een onvruchtbare vallei doen wonen, nabij een heilig huis, o Heer! opdat zij volhardend in het gebed mogen zijn, (14:40). Dhikr Allah, herdenken van God en het reciteren van de Koran worden ook aanbidding genoemd, omdat het doel der Godsverering herdenken en loven van God is en gedeelten uit de Koran altijd in de moslim eredienst worden gereciteerd. 3. In de vertaling van Maulana Muhammad Ali: "... om moeilijkheden te bestrijden." 4. Gelijkluidende uitdrukkingen zijn ook in andere geschriften te vinden: "De nacht van Brahma duurt duizend eeuwen.(Bhagawad Gita 8:17) "Eén dag bij de Here is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag." (Petrus 3:8) |
|
| |
|
|
| Terug naar Hoofdmenu |
|
|