Islam en de tolerantie van verbale belediging

Onjuiste bewering over opdrachten tot moord op mensen die het geloof "beledigen"

Domme volgelingen beweren hetzelfde als tegenstanders

 
  Dr Zahid Aziz
  Terug naar Hoofdmenu
 
 

Als Westerse oriëntalisten, over het algemeen rondom deze eeuwwisseling, over het leven van de heilige Profeet schrijven (moge vrede en de zegeningen van God met hem zijn), dan uiten zij beschuldigingen tegen deze nobelste en vriendelijkste van de mensen. Hij zou opdrachten hebben gegeven tot de moord op bepaalde tegenstanders van de islam bij diverse gelegenheden, vanwege beleding, spot en beschimping jegens hem en zijn geloof. Deze aantijgingen waren gebaseerd op ongegronde verslagen en verhalen die in sommige islamitische geschiedenisboeken van dubieuze geloofwaardigheid voorkomen. Maulana Muhammad Ali heeft in zijn boek, Muhammad The Prophet, een hoofdstuk gewijd, toegevoegd in 1932, om een aantal specifieke voorbeelden van dergelijke onjuiste aanklachten te ontzenuwen. De grootste ironie van de geschiedenis is, dat de laatste twee jaren, diverse moslimse oelama en islamitische publikaties, in de context van een algemeen bekende controverse, deze zogenaamd beweerde feiten naar voren gingen brengen ter ondersteuning van hun onbezonnen verklaringen, als zou de islam inderdaad de opdracht tot moord op dergelijke personen geven. De Hong Kong Muslim Herald van maart 1989 bijvoorbeeld, bevat op de laatste bladzijde een artikel, waarin schaamteloos wordt beweerd:

"Een van de bekendste islamitische historici is Waqidi. Zijn bekende boek is Maghazi dat voornamelijk over de oorlogen van de Profeet gaat. Hij schrijft in het eerste deel van zijn boek dat Asma, Marwan's dochter, de Profeet beledigde, slecht sprak over de islam en de moslims en heiligschennis pleegde. Oemair ibn Adi, een moslim, zwoer, nadat hij de belediging van Asma gehoord had, dat hij haar zal vermoorden. .... Oemair ging in het midden van de nacht naar Asma toe en doodde haar. Toen Oemair de volgende ochtend naar de moskee ging om te bidden, keek de Profeet hem aan en zei: Heb jij Marwan's dochter gedood? Oemair antwoordde: Ja, heb ik een zonde begaan? De Profeet zei: Nooit, deze zaak is het niet eens waard om erover te praten.

"In Medina, verwierp Aboe Afak niet alleen de islam, maar hij toonde constant zijn vijandigheid tot de Profeet ... Salim ibn Oemair, een moslim, zei: Ik moet Aboe Afak doden of gedood worden terwijl ik dat doe. Toen Aboe Afak in zijn huis tussen zijn mensen sliep, ging Salim er naar toe en doodde hem".

Dit artikel gaat verder door met meer passages van dezelfde strekking uit Waqidi's Maghazi.

Bijna zestig jaar voor dit artikel, op het moment dat hij beweringen ontzenuwde tegen de Heilige Profeet, ter sprake gebracht door oriëntalisten, zoals Sir William Muir en Mr. Cash, die precies dezelfde verslagen hadden geciteerd, schreef Maulana Muhammad Ali:

"Muir noch Cash heeft de moeite genomen om de geloofwaardigheid van het beweerde te onderzoeken, op basis waarvan hij het aandurfde om de meest barmhartige en betrouwbare van de mensen als wreed en verraderlijk te bestempelen. Als de schrijver naar de oorsprong van de zaak was gegaan, dan zou hij hebben ontdekt dat de Profeet en de moslims geduldig de ergste beledigingen en ergerlijke verzen van al hun tegenstanders, zowel van joden als afgodendienaars, verdroegen. Inderdaad, de Heilige Koran eiste zonder meer van hen dat zij alle beledigingen geduldig moesten verdragen ... [vers 3:185 wordt hier aangehaald, maar zal verderop in ons artikel worden geciteerd - red.]. Hoe kon de Profeet ondanks zo'n uitdrukkelijk bevel, toch nog de moord bevelen op mensen die hem beledigden, en hoe konden de moslims een opdracht uitvoeren die geheel in strijd is met Heilige Koran? Het was simpelweg onmogelijk, en als Ibn Hisham of Waqidi zegt dat de Profeet tot moord op zijn beledigers heeft opdragen, dan is het Ibn Hisham of Waqidi - een zwakke autoriteit bovendien - die moet worden tegengesproken, en niet de Koran die de meest betrouwbare bron van informatie m.b.t. de handelingen van de Profeet is. Hoewel de Koran het vechten tegen een agressieve vijand toestond, weigerde hij de moord van een belediger van de Profeet en de islam te sanctioneren; nee, de Koran eiste zonder meer dat zo'n belediging geduldig verdragen wordt" (Muhammad The Prophet).

De Maulana bespreekt daarna de specifiek beweerde gevallen. Met betrekking tot de zaak van Asma, concludeert hij als volgt:

"Afgaande op deze duidelijke getuigenis, kan niemand behalve dan een verknipte geest, het verhaal, als zou de Heilige Profeet tot het doden van een vrouw hebben bevolen en toegejuicht, eenvoudigweg ter verdediging van het feit dat zij ergerlijke verzen heeft geschreven, als betrouwbaar aannemen. Dit verhaal is ongetwijfeld een vervalsing".

Eveneens, ingaande op de berichten over de moord op Aboe Afak, schrijft hij: "Wij aarzelen niet om dit verhaal als dat met betrekking tot de moord op Asma, een ongefundeerd verzinsel te noemen."


De leerstellingen van de islam als reactie op belediging

Nu wij enkele moslims aantreffen, die persoonlijk hebben verklaard c.q. medegedeeld dat deze berichten authentiek zijn als wel dat deze hun geloofsgeboden illustreren, is het belangrijk om volledig en diepgaand de volgende vraag te onderzoeken: Wat zijn de leerstellingen van de Heilige Koran en de Heilige Profeet Mohammed over hoe moslims zouden moeten reageren op verbale belediging tegen hun geloof. Er is in de tekst van de Heilige Koran en het praktische voorbeeld van de Heilige Profeet zelf, ondubbelzinnig een duidelijke richtlijn voor. Weet, dat we hier alleen te maken hebben met de kwestie, hoe volgelingen volgens de islam moeten reageren op hun gevoelens vanwege belediging, geweld en pijn wanneer pijnlijke woorden tegen hun geliefde religie en religieuze figuren worden gebruikt. Op iedere kritiek op hun geloof, uitgedrukt in vulgaire taal of niet, moet er onder alle omstandigheden, door middel van woorden een antwoord zijn.

We kunnen onze discussie voor laten gaan met de volgende woorden van de Heilige Profeet Mohammed:

"De moslim die zich onder de mensen begeeft en geduldig hun pijnlijke woorden verdraagt, is beter dan iemand die zich niet onder de mensen begeeft en die geen geduld toont voor hun belediging". (Misjkaat, Boek: Ethica, hoofdstuk Zachtaardigheid, fatsoen en goed gedrag).

Wat een nobel en prachtig stuk richtlijn, die zo toepasselijk is op de moderne wereld waarin mensen met een verschillend geloof met elkaar moeten leven en heel nauw met elkaar in contact komen!


Leerstellingen van de Heilige Koran

Als algemeen punt moet eerst worden opgemerkt, dat de Heilige Koran zelf de beschuldigen tegen en de beledigingen jegens de Heilige Profeet door zijn tegenstanders, vermeldt (b.v. dat hij gek was, of dat hij zijn openbaring heeft verzonnen). De Koran geeft ook een antwoord op deze beschuldigingen, maar er staat nergens dat de Koran van de moslims verlangt, om wat voor soort straf dan ook op de beschuldigers te leggen. De Koran geeft daarom zelf, voortdurend aandacht aan deze beschuldigingen en de antwoorden daarop, blijkbaar vooruitlopend op het feit, dat dergelijke beschuldigen in latere tijden door critici zouden worden gemaakt. Als zo'n belediging of kritiek het geloof van een moslim zou schaden, en zou vereisen dat deze door geweld tot zwijgen moet worden gebracht, waarom zou de Koran zelf veel daarvan citeren uit de monden van zijn tegenstanders?

De Heilige Koran zegt tegen moslims:

1. "Gij zult zeker veel ergerlijk gepraat horen van degenen aan wie het Boek vóór u is gegeven en van degenen die polytheïsten zijn. En indien gij geduldig zijt en u (voor het kwaad) hoedt, waarlijk, dit is een van de zaken tot (welke) besloten (behoort te worden)." (3:185)

2. "Vele van de volgelingen van het Boek wensen u, nadat gij gelovig zijt geworden, weer tot ongelovigen te maken ... maar wees genadig en vergeef". (2:109)

In verband met deze verzen, staat in de Hadies-verzameling van Bochari:

"De boodschapper van God en zijn Metgezellen, zijn gewend de polytheïsten en de volgelingen van voorgaande boeken te vergeven, zoals God hun dat heeft bevolen, en zij zijn gewend geduld te tonen na het aanhoren van pijnlijke woorden." – Boek: Uitleg van de Koran, hoofdstuk 16 onder Soera 3.

Wat de Heilige Profeet betreft, God zegt in de Koran:

1. Verdraag geduldig wat zij zeggen." (20:130 en 50:39)

2. Gehoorzaam de ongelovigen en de huichelaars niet, en sla geen acht op hun aanstotelijk gepraat." (33:48)

In alle bovenstaande verzen, wordt moslims geleerd hun gevoelens van pijn en boosheid geduldig te verdragen en de beschuldiging te negeren.

Een ander vers dat hier een beetje over gaat is als volgt:

"En indien gij hen tot de leiding nodigt, horen zij niet; en gij ziet hen naar u kijken, toch zien zij niet. Houdt u aan vergiffenis en beveel het goede en wend u af van de onwetenden". (7:198 -199)

Dit betekent dat, wanneer wij met mensen moeten omgaan die onvoorwaardelijk vooringenomen en onwetend zijn, en bijgevolg niet in staat zijn om de leiding te begrijpen, wij ons niet moeten overgeven aan boosheid, geweld en kwaadheid jegens hen. We moeten hen met vergiffenis behandelen, onze plicht doen door onszelf eenvoudige goedheid op te leggen en ons dan van hen afwenden, door de zaak in handen van Allah over te laten.


Zich terugtrekken uit een gezelschap

Moslims wordt verteld:

"Wanneer gij in Gods mededelingen niet geloofd en daarmede gespot hoort worden, zit niet met hen tot zij enig ander gesprek beginnen". (4:140, zie ook 6:68)

Deze verzen hebben betrekking op een situatie, waarin de religie wordt bespot en belachelijk gemaakt (dit, als onderscheid van te worden bekritiseerd). Van een moslim wordt geëist niet meer te doen dan zich uit zo'n gezelschap terug te trekken, en zelfs dit slechts voor zolang het bespotten voortduurt, en zich daarna weer bij hetzelfde gezelschap te voegen. Iedere kritiek die de belediging ondersteunt moet, natuurlijk, worden beantwoord. Maar de reactie op iedere directe belediging, beschimping of bespotting, is dat men zich uit het gezelschap terugtrekt.

Enkele incidenten uit het leven van de Heilige Profeet.

1. Een man, genaamd Sohail ibn Amar, was verbaal begaafd en hij maakte van zijn talent gebruik om redevoeringen tegen de Heilige Profeet te houden. Hij werd bij de slag van Badr door de moslims gevangen genomen en aan de Heilige Profeet voorgeleid. Een moslim stelde voor, een paar tanden van Sohail kapot te slaan zodat hij niet meer goed kon praten. De Heilige Profeet antwoordde: "Als ik iets van zijn ledematen zou misvormen, dan zal God als vergelding de mijne misvormen.

2. Een keer, toen de Heilige Profeet wat rijkdom onder zijn volgelingen verdeelde, beschuldigde iemand hem in het gezicht van oneerlijkheid en zei tegen hem: "Vrees God, o Mohammed". Nadat de man was weggegaan, ontstond de volgende conversatie tussen Khalid ibn Walid en de Heilige Profeet, zoals in Bochari vermeld staat:

Khalid: "Zal ik zijn nek breken?"

De Heilige Profeet: "Nee, misschien is hij iemand die bidt".

Khalid: "Er zijn veel mensen die bidden, maar wat zij zeggen zit niet in hun harten".

De Heilige Profeet: "God heeft mij niet bevolen de borsten van mensen te openen om te zien wat er in hun harten zit".

(Boek: Maghazi, hoofdstuk 63).

Hier beledigt een man de Heilige Profeet in zijn gezicht, en een moslim vraagt toestemming om de man te doden. De Heilige Profeet sluit de mogelijkheid niet uit dat er iets goeds zit in de boosdoener, maar Khalid wijst erop dat de gebeden van de man alleen maar voor de show zijn. De Heilige Profeet maakt dan duidelijk dat wij de motieven of de oprechtheid van mensen niet kunnen weten, maar moeten accepteren dat wat zij doen, in goed vertrouwen gebeurt.

3. Wanneer sommige joden moslims begroeten, zouden zij de begroeting as-salamo alaikoem verdraaien en as-samo alaikoem zeggen, hetgeen betekent 'dood zij met jou'. Toen zij zich een keer op deze manier tot de Heilige Profeet wendden, antwoordde zijn vrouw 'Aisha vinnig met dezelfde woorden. De Heilige Profeet keurde deze reactie af en zei dat God niet van groffe woorden houdt.

4. Een keer verspreidden vier mannen het bericht waarin zij Aisha, de vrouw van de Heilige Profeet, van immoreel gedrag beschuldigden. Uiteindelijk bleek hun beschuldiging niet waar te zijn, omdat zij niet in staat waren die met enige getuigenis te bevestigen. Een van de vier, Mistah, kreeg gewoonlijk financiële steun van Hazrat Aboe Bakr, de vader van 'Aisha. Na dit incident zwoer Hazrat Aboe Bakr nooit meer Mistah te helpen. Naar aanleiding hiervan werd het volgende vers aan de Heilige Profeet geopenbaard:

"En laten degenen van u, die goedertierenheid en overvloed bezitten, niet zweren de naaste verwanten en de armen en degenen die op Gods weg zijn gevlucht, niet te geven. Laten zij vergeven en zich afwenden. Wenst gij niet dat God u vergeeft? (24:22)

Toen hij dit hoorde, zei Hazrat Aboe Bakr: "Inderdaad, natuurlijk wil ik dat God mij vergeeft". Hij hervatte daarop zijn financiële steun aan Mistah, zoals hierboven vermeld. (Bochari, Boek: Getuigenis, hoofdstuk 15).

Merk op, dat deze beschuldiging niet tegen zomaar een gewone moslimse vrouw werd geuit, maar tegen de vrouw van de Heilige Profeet. Daarom raakte dit de heilige huishouding in het centrum van de religie van de islam, die een model van zuiverheid voor alle moslims diende te zijn. In verband hiermee getuigt de vergiffenis, zoals bovengenoemd vers laat inzien, van absolute grootmoed en ruimhartigheid.

Als moslims vandaag de dag deze leerstellingen van de islam hadden gevolgd en gepropageerd, dan zouden zij van alle redelijk denkende mensen in de wereld, respect en bewondering verdienen voor hun geloof, hun Heilige Stichter en zichzelf.

 
 
{short description of image}


 
   
Terug naar Hoofdmenu