|
|
Djihaad ─ de situatie van vandaag en honderd jaar geleden |
|
|
|
|
|
|
Door dr.
Zahid Aziz |
Toen de
stichter van de Ahmadiyya Beweging, hazrat Mirza Ghulam Ahmad (overl. 1908),
zijn missie van het presenteren van de religie van de Islam aan de wereld
aanving, was één van de grootste obstakels, dat er op de Islam een
wijdverspreide smet en stigma rustte omtrent de opvatting over de djihaad.
Tegen de Islam werd, voornamelijk door christelijke en westerse critici
aangevoerd, dat de Islam zijn volgelingen vertelt om zich over te geven aan
gewelddadige handelingen tegen volgelingen van andere geloven, en dat het
diegenen van zijn volgelingen die dergelijk geweld bedrijven ophemelt,
verheerlijkt en een plaats in het paradijs in het volgende leven belooft. Aan
de ene kant werd dit als een beschuldiging tegen de Islam opgeworpen, maar
aan de andere kant versterkten bepaalde religieuze moslimleiders en hun
volgelingen exact dezelfde gedachte door hun uitspraken en handelingen, dat
de Islam inderdaad het gebruik van geweld en bloedvergieten toestaat,
aanmoedigt en aan- spoort, teneinde mensen van andere religiën te overwinnen
en te onderwerpen. Deze smet
veroorzaakte niet alleen haat en vooroordelen tegen de Islam op de wereld, en
het belemmerde niet alleen de vooruitgang en het begrip van de Islam, maar
het betekende ook dat toen iemand als de stichter van de Ahmadiyya Beweging
opstond met de verspreiding van de Islam als zijn missie, men de argwaan
begon te koesteren dat het doel het beginnen van een gewapende opstand was,
om zodoende de bestaande heerschappijen via geweld en terroristische daden
omver te werpen. De stichter van deze Beweging, hazrat Mirza Ghulam Ahmad,
moest dus herhaaldelijk en gedetailleerd uitleggen, dat de populaire
opvatting over djihaad in de gedachten van de mensen – hetzij niet-moslims,
hetzij een grote groep van moslims – geheel tegengesteld was aan de echte
leringen van de Islam. Wanneer wij die uiteenzettingen van hem bekijken, die
honderd jaar geleden werden geschreven, dan zien we verbazingwekkende
overeenkomsten met de hedendaagse situatie. Bij het
lezen van zijn lange uiteenzettingen over dit onderwerp is één opmerkelijk
punt dit, dat hij dolgraag de boodschap aan moslims van andere Islamitische
landen, buiten zijn eigen land India, wil overbrengen, dat zij de verkeerde
opvatting over djihaad moeten verwerpen. Hij schrijft op een plaats: “Ik
schreef boeken in het Arabisch en het Perzisch, teneinde deze leerstelling
van het verbod op de djihaad naar andere landen te verspreiden, waarbij
duizenden roepies zijn uitgegeven aan het drukken en publiceren daarvan. Al
die boeken werden gepubliceerd in Arabië, de landen Syrië, Turkije, Egypte,
Bagdad en Afghanistan. Ik geloof dat deze op een dag hun effect zullen
sorteren.” (Kitab al-Barijja, p. 7-8) Vreemd
genoeg zijn het deze landen, die tegenwoordig in het nieuws staan in verband
met de verkeerde en verdraaide leerstelling van de djihaad. Honderd jaar
geleden stuurde de stichter van de Ahmadiyya Beweging goede raad naar deze
landen voor hun eigen bestwil. Misschien had de Alwetende Allah hem de
gevaarlijke consequenties getoond die deze landen kunnen overvallen als
gevolg van het blijven volgen van de verkeerde opvatting over de djihaad. Ik zal
nu samenvattend een omschrijving geven
uit een boek dat in het Oerdoe werd geschreven door hazrat Mirza Ghulam
Ahmad, waarvan de titel betekent ‘De Britse Regering en de Djihaad’. Wat het
zegt, is heden ten dage van toepassing op de betrekkingen tussen moslims en
westerse regeringen. Hij
begint de term ‘djihaad’ uit te leggen en beschrijft dan waarom en onder
welke omstandigheden de moslims ten tijde van de heilige profeet Mohammed
naar de wapens grepen. Hij vertelt ons dat, toen de mensen zich bij de
religie van de Islam begonnen aan te sluiten, de belangen- groeperingen van
de Arabieren, alsook die van de joden en de christenen in Arabië, jaloers
werden op deze nieuwe ontwikkeling en deze trachtten te verpletteren. Zij
begonnen de bekeerlingen tot de Islam met de meest barbaarse methoden te
martelen en te doden en gingen hier dertien jaren mee door. De moslims
verdroegen echter deze vervolging met geduld, zoals God hun had bevolen,
zonder hun toevlucht te nemen tot vergelding. Toen deze wrede bruutheden alle
grenzen overschreden, gaf God aan de moslims de toestemming om als vergelding
te strijden, door het vers te openbaren: “Toestemming
om te strijden wordt gegeven aan degenen tegen wie oorlog wordt gevoerd,
omdat hun onrecht is aangedaan … degenen die uit hun huizen zijn verdreven
zonder geldige reden, behalve dat zij zeggen: Onze Heer is Allah.” (22:39-40) Maar de
moslims van latere tijden, enkele eeuwen later, begrepen deze beperkte
toestemming om te strijden verkeerd en ontwikkelden de onjuiste opvatting dat
de djihaad een oorlog is, die op willekeurige wijze tegen de ongelovigen kan
worden ondernomen. De wijze waarop de leerstelling van de djihaad door
bepaalde Islamitische leiders aan hun volgelingen wordt gepredikt, is
volstrekt verkeerd, en het resulteert slechts in de vorming van een groep
mensen die zich als bruten gedragen en alle goede menselijke eigenschappen
ontberen. Hij schrijft: “Ik weet
zeker dat al het ongechtvaardigd doden dat verricht wordt door onwetende
mensen, die hun meest verachtelijke lage begeerten volgen en die totaal geen
weet hebben van de redenen en oorzaken waarom de Islam aan het begin van zijn
geschiedenis oorlogen moest voeren.” Daarna
geeft hazrat Mirza Ghulam Ahmad een tweede reden waarom de djihaad verkeerd
begrepen wordt als vechten en het beramen van plannen om mensen te doden. De
reden is dat, afgezien van hetgeen de onwetenden onder de moslimleiders over dit
vraagstuk hebben onderwezen, ook de christelijke critici van de Islam via
duizenden publicaties de onware gedachte verspreiden, dat de Islam een wrede
godsdienst is die oorlog en geweld onderwijst en synoniem is met het gebruik
van het zwaard. Het gevolg van deze wijdverspreide propaganda zal niet zijn,
zo zegt hij, dat de moslims de Islam zullen opgeven, zoals de bedoeling is
van hun critici. Het gevolg is slechts dat de massa zelfs nog meer ervan
overtuigd raakt, dat hun godsdienst hun inderdaad geweld tegen de volgelingen
van andere godsdiensten onderwijst. Ieder
oplettend persoon die de Koran en de geschiedenis van de vroege Islam leest,
zal zeer goed beseffen dat de naam djihaad, waaronder vele kwaadaardige
mensen vechten, helemaal niet de
djihaad is die de Islam onderwijst. Dit zijn criminele daden die gepleegd
worden door de opwekking van lage begeerten, of in de ijdele hoop het
paradijs te bereiken. Onze Heilige Profeet hief niet als eerste het zwaard
op, maar verdroeg de hevige vervolging door zijn vijanden gedurende een lange
tijd. Zijn volgelingen handelden ook volgens hetzelfde beginsel. Zij toonden
zo’n geduld, volharding en zelfbeheersing, dat er hiervan geen ander
voorbeeld bestaat op de wereld. Dit was echter niet omdat zij zwak, lafhartig
of niet in staat waren terug te slaan. Deze moslims waren heldhaftige,
moedige en sterke mensen. Dit werd bewezen nadat het hun werd toegestaan te
strijden, toen zij tegen enorme overmachten vochten en overwonnen. Zij
toonden dus geduld en zelfbeheersing, terwijl zij het vermogen en de kunde
bezaten om in een gevecht te strijden. Gedurende
deze periode van vervolging bedacht de Heilige Profeet nooit middelen om
terug te vechten, maar zei tegen zijn volgelingen dat Allah hem had bevolen
geduld te betrachten. Hazrat Mirza stelt dan dat, wanneer moslims dit meest
voortreffelijke voorbeeld hebben van onthouding en zelfbeheersing, dit aan de
kant te zetten het toppunt van dwaasheid en een grote rampzaligheid is, wat
aan hun eigen handen te wijten is. Daarna gaat
hij verder met het beschrijven van de soort van wreedheden die in de naam van
de Islam en de religie worden bedreven. De onwetende religieuze leiders
hebben de massa’s enorm bedrogen en hebben daden van bruutheid, wreedheid en
onmenselijkheid tot de sleutel van het bereiken van het paradijs gemaakt. Hij
stelt de volgende vraag: “Is
het een vrome daad dat er iemand rondloopt op de markt, met wie wij geen
relatie hebben, en zelfs zijn naam niet kennen en hij onze naam niet kent,
maar dat wij desondanks een schot op hem lossen en hem proberen te doden? Is
dit een religieuze gedragswijze?” Plaats
dit tegenover die eerste moslims, aan wie Allah in Mekka opdroeg om niet met
geweld te reageren, zelfs wanneer ze in stukken werden gehakt. Helaas,
tegenwoordig zijn de religieuze leiders al die gebeurtenissen vergeten, en
denken dat het afvuren van een geweer op een onschuldig mens de Islam
voorstelt. Hazrat Mirza vraagt wederom: “Is
het geen betreurenswaardige en schandelijke zaak dat wij iemand die wij
helemaal niet kennen, die ons niet vijandig gezind is, en die zich bezighoudt
met zijn eigen geoorloofde zaken, doodschieten en onmiddellijk zijn vrouw een
weduwe, zijn kinderen vaderloos en zijn huis een plaats van rouw maken? Wordt zo’n doodslag in de Koran of de hadies onderwezen? Kan
een moslim religieuze leider hier antwoord op geven?” De
onwetenden hebben slechts het woord djihaad gehoord en gebruiken het als een
voorwendsel en een bedekking om hun eigen egoïstische doeleinden te
bevredigen, of om puur uit fanatisme en waanzin bloed te vergieten. In die
dagen werd de verkeerde opvatting over de djihaad in het bijzonder
gepropageerd in de noordwestelijke provincies van India, tegen Afghanistan
aan gelegen, en binnen Afghanistan zelf. Hiernaar verwijzend in dit boek,
geeft hazrat Mirza de koning van Afghanistan het advies om een forum van
vooraanstaande islamitische geleerden bijeen te roepen om de leerstelling van
de djihaad te bediscussiëren, en vervolgens via deze geleerden het gewone
volk van het land te onderwijzen omtrent de dwaling aangaande de verkeerd
begrepen opvatting over deze leerstelling. Er zouden enkele boeken
gepubliceerd en alom gedistribueerd moeten worden over dit onderwerp. Op deze
wijze zou de hartstocht voor het zich overgeven aan gewelddadige handelingen
afnemen. Het zou een groot dienstbetoon van een moslimleider zijn, zo zegt
hij, om het gewone moslimvolk te bevrijden uit de klauwen van onwetende
religieuze leiders, die hen ophitsen tot gewelddadigheden onder de naam
djihaad. Het is de
djihaad van zelfreiniging, welke een fundamenteel, blijvend en
onvoorwaardelijk deel van de Islam vormt. Hij schrijft: “Ik draag
degenen die zich bij mijn leger aansluiten op om afstand te doen van deze
verkeerd begrepen gedachten over de djihaad met het zwaard, en hun harten te
reinigen, hun gevoelens van genade jegens de hele mensheid te ontwikkelen en
te koesteren, en behulpzaam te zijn tegenover degenen in nood en lijden. Zij
moeten vrede op aarde verspreiden, aangezien dit de manier is waarop hun religie
zich zal verspreiden. Wees niet verrast hoe dit kan gebeuren. Want net zoals
God de moderne uitvindingen van de tegenwoordige tijden heeft geschapen voor
de stoffelijke behoeften van de mens, op dezelfde wijze zal Hij voorzien in
de geestelijke behoeften van de mensheid door het licht en de boodschap van
de waarheid wijd en zijd te doen verspreiden door middel van deze zelfde
manieren van communicatie en transport.” Hazrat
Mirza wijst ook de Britse overheid van India erop, dat de tweede reden waarom
deze wreedheden worden bedreven om een held of een martelaar te worden van de
religie van de Islam, is dat de christelijke en westerse critici van de Islam
via hun boeken en tijdschriften, die door het hele land worden verspreid, de
onware gedachte hebben versterkt dat de Islam deze vorm van djihaad
onderwijst. Dit, zo zegt hij, heeft ertoe geleid dat vele domme fanatici, die
niets van hun eigen godsdienst weten, daadwerkelijk geloven dat de daad van
het doden van ongelovigen een grote beloning waard is. Deze literatuur heeft
de harmonie en verzoening in het land beschadigd en de zaad van vijandschap
tussen verschillende gemeenschappen gezaaid. Om dit
probleem aan te pakken, adviseerde hij de overheid om het voorbeeld van de
Turkse regering (de belangrijkste moslimregering van die tijd) te volgen, die
de proefmaatregel had getroffen, dat het voor enkele jaren voor alle
religieuze groeperingen verboden zou zijn in hun geschriften of toespraken
enige melding te maken van andere godsdiensten, en dat zij slechts de goede
punten van hun eigen godsdienst zouden onderwijzen. Op deze wijze zullen zich
geen nieuwe tweedrachten meer ontwikkelen, oude wrok zal langzamerhand vergeten worden en de mensen
zullen zich wenden tot onderlinge harmonie en eensgezindheid. In een andere
publicatie, waarin hij zich tot de overheid van zijn tijd richt, heeft hazrat
Mirza de leerstellingen van de Islam over dit punt (d.w.z. het gebruik van
geweld tegen anderen ter ondersteuning van de eigen gods- dienst) als volgt
samengevat: “De Koran
leert dat de moslims, terwijl zij de vervolging en pijn die hun worden
toegebracht verdragen, anderen met zachtmoedigheid tot de waarheid moeten
uitnodigen. In het bijzonder met betrekking tot de joden en de christenen
schrijft de Heilige Koran voor: “Roep op tot de weg van uw Heer met wijsheid
en een uitnemende vermaning en discussieer met hen op de beste wijze”
(16:125), waarbij ‘de beste wijze’ beleefdheid en op een beschaafde manier
betekent. De waarheid heeft geen geweld nodig om zich te verspreiden. Het
gebruik van geweld bewijst in feite dat iemands argumenten zwak zijn. God
openbaarde aan Zijn Heilige Profeet: “Wees geduldig zoals de mensen met
vastberadenheid geduldig zijn”, wat betekent dat de Heilige Profeet zo’n
geduld moest tonen, dat het niet minder was dan de totale optelsom van al het
geduld wat alle voorgaande profeten hadden getoond. Vervolgens openbaarde God
ook: “Er is geen dwang in de godsdienst”. En verder zei Hij dat de ware
gelovigen diegenen zijn die “hun boosheid onderdrukken en mensen vergeven”.” Kan de
God Die dit onderwijst ook zeggen, dat je diegenen moet doden die jouw
godsdienst niet aanvaarden, hen van hun bezittingen moet beroven en hun
huizen onbewoonbaar moet maken? Dit is slechts de misvatting van de
onwetenden onder de religieuze moslimleiders in het algemeen en de
onverstandige christelijke en westerse critici van de Islam, welke ongegrond
en zonder basis is. Vervolgens zegt hazrat Mirza over zichzelf dat hij
gezonden is, omdat God de intentie heeft om de religie van de Islam in deze
tijd te zuiveren van de smet van de gewelddadige djihaad, en om aan de wereld
te tonen dat de Islam helemaal geen geweld of het zwaard nodig heeft, maar
dat hij de harten verovert via zijn geestelijke macht. Wanneer
wij de context van één van de verzen van de Koran nagaan, die hazrat Mirza
heeft aangehaald, dan komen we tot het volgende: “Gehoorzaam
Allah en de Boodschapper, opdat genade jegens u zal worden getoond. En haast
u naar vergiffenis van uw Heer en een Tuin, zo wijd als de hemelen en de
aarde; het is klaargemaakt voor degenen die hun plichten vervullen: zij die
[liefdadig] uitgeven, of zij zich nu in comfortabele omstandigheden bevinden
of in tegenspoed, en die de onderdrukkers zijn van hun boosheid en de
schenkers van vergiffenis aan de mensheid. En Allah heeft de doeners van
het goede tegenover anderen lief.” (3:132-134) Als
eerste wordt aan de moslims verteld om Allah en de Boodschapper te
gehoorzamen. Daarna worden zij opgedragen om zich naar Gods vergiffenis te
spoeden en naar een Tuin, die klaargemaakt is voor degenen die hun plichten
vervullen, en deze zijn degenen die hun boosheid onderdrukken en mensen
vergeven. Dit is dus de manier om de hemel, paradijs ofwel djannah, te
bereiken. Het gebeurt niet door boosheid en woede de vrije loop te laten en
uit te vallen naar de mensen van de wereld. Hoeveel
mensen, inclusief moslims, weten dat de Heilige Koran van moslims verlangt om
“onderdrukkers van hun boosheid en schenkers van vergiffenis aan de
mensheid” (al-kâzimîna-l- ghazi wa-l-`âfîna `ani-n-nâs)” te zijn? Op een
andere plaats in de Koran wordt met betrekking tot de ware gelovigen gezegd:
“wanneer zij boos zijn, vergeven zij” (42:37). Wanneer
moslims menen dat hun in bepaalde delen van de wereld onrecht is aangedaan door
anderen, dan is onder de huidige omstandigheden de toepasselijke lering van
de Koran om je boosheid te onderdrukken, degenen te vergeven op wie je boos
bent, en het aan God over te laten welk oordeel Hij over hen velt. Men dient
zich te concentreren op de eigen morele en geestelijke zuivering en sociale,
educatieve en intellectuele ontwikkeling, zodat men zowel als individu, als
gemeenschap en als volk een voorbeeld is van goedheid en een model voor
anderen. Wanneer iemand materieel verlies heeft geleden door toedoen van
andere volkeren, dient hij niet dusdanige methoden te gebruiken die de Islam
een slechte naam bezorgen, om voldoening te krijgen voor eigen verbittering.
In plaats van het toepassen van dergelijke methoden, dient hij het verlies
geduldig te dragen, als een opoffering omwille van de reputatie van de Islam. Jezus
wordt in het bijzonder geassocieerd met de lering om degenen te vergeven die
anderen schade berokkenen en leed aandoen. Helaas kwamen de christenen zelf
tot het inzicht dat die lering onpraktisch is om naar te handelen. Maar wij
bevinden ons nu in een tijd waarin moslims volgens die lering kunnen handelen
en waarbij zij kunnen aantonen, dat dit onder de huidige omstandigheden de
juiste benadering is die naar succes leidt. Dit is in feite een grote gunst
die de Islam de christenen heeft bewezen: dat het de lering van totale vergiffenis van
vijanden en geen weerstand aan hen bieden, zoals door Jezus onderwezen,
staaft. Die lering was aan de kant gezet als onpraktisch en onmogelijk te
volgen, zelfs door de christenen die door de hele geschiedenis heen
verwikkeld waren in oorlogen. Echter handelde niet alleen de heilige profeet
Mohammed daarnaar, in het bijzonder tijdens zijn leven in Mekka vóór zijn
emigratie, maar ook in onze tijd heeft een hervormer de moslims aan- gespoord
om hetzelfde voorbeeld te tonen in hun handelswijze naar de christenen toe,
en aldus feitelijk aangetoond dat de lering van Jezus onder bepaalde
omstandigheden toepasbaar is. Naschrift Mijn
lezing eindigde hier, maar ik wil graag enkele opmerkingen plaatsen bij het
hierboven opgemerkte feit dat de Islam de hoogst mogelijke gunsten heeft
bewezen aan de joden en de christenen. In de eerste plaats verkondigt de
Islam dat de profeten van de Bijbel, inclusief Jezus, ware profeten waren van
God die onbezoedelde levens van volmaakte reinheid leidden. Ook verplicht de
Islam de moslims hun geloof in al deze profeten te verklaren, zoals Abraham,
Jakob, Jozef, David, Salomo, Jezus, etc., net zoals zij hun geloof in de
heilige profeet Mohammed verklaren. Bovendien verhaalt de Heilige Koran
inspirerende gebeurtenissen uit hun levens en zuivert het hen van bepaalde
smetten op hun karakter, die in de Bijbel opgetekend staan. Het is de Koran
die Jezus vrijspreekt van de zogenaamde ‘vloek’ die God hem, zoals wordt
beweerd, oplegde; een doctrine die zowel door de joden als de christenen
wordt hooggehouden. Ook prijst de Koran de joden en de christenen wanneer dat
hen toekomt. De Koran zegt dat Gods zegeningen geschonken werden aan de Kinderen
Israëls (2:40, 47) en dat de discipelen van Jezus openbarin- gen ontvingen
van God (5:111). Zelfs van de joden en de christenen van latere tijden wordt,
na hun afdwalen en verval, aangegeven dat er
groeperingen onder hen zijn die oprecht zijn, weldoeners en rechtvaardig zijn (3:113-
114; 7:159). Terwijl het kloosterleven een verkeerd gebruik genoemd wordt,
dat door de latere christenen werd uitgevonden, zegt de Koran toch nog dat
zij dit met goede bedoelingen deden (57:27). Dient de Islam, na al deze
gunsten die de Heilige Koran heeft bewezen aan de volgelingen van de Bijbel,
nog steeds zulke beledigingen en kwaadsprekerij van hen te ontvangen? |
|