|
Door de toenemende invloed van het materialisme in de wereld
houdt de mens zich steeds minder bezig met de vraag wat het doel van zijn leven
op aarde is.
In dit artikel schetst de auteur het doel en de zin van dit leven,
hoe men geleidelijk dit doel kan bereiken, de verschillende stadia en trappen
van het geloof en de daad, en de uitwerking van het geloof op iedere trap van
zijn ontwikkeling.
Als wij over onszelf gaan
nadenken, komen wij tot het besef, dat er een tijd is geweest toen wij er nog
niet waren. Wij beseffen tevens, als wij onze krachten en vermogens zien
verzwakken, dat er een tijd komt, dat wij deze wereld met al haar pracht en
praal moeten verlaten.
Wij komen niet uit onze eigen wil op aarde noch verlaten wij deze
wereld naar ons eigen behagen. Wij worden niet gevraagd om geboren te worden,
evenmin vraagt men ons of wij willen sterven. Men neemt alle middelen te baat
om zich in het leven te houden, maar desondanks wordt men genoodzaakt dit leven
te verlaten. Hierin zijn de machtigste heerser en de armste bedelaar gelijk.
Geen leger, of welke macht ook, kan de mens redden als de doodsengel voor hem
staat. Wie hierover nadenkt komt tot de slotsom, dat er buiten ons iets anders
moet bestaan, dat de mens het levenslicht doet zien en hem later
terugroept.
De mens moet in zijn machteloosheid begrijpen, dat hijzelf niet de
oorzaak van deze gang van zaken kan zijn. Dus moet een ander de oorzaak ervan
zijn, want een oorzaak moet aan het gevolg voorafgaan. Deze oorzaak, die wij
als de oorzaak aller oorzaken beschouwen, moet een intelligentie bezitten,
anders zou het niet mogelijk zijn, dat de oorzaak een intelligent wezen als
mens zou kunnen voortbrengen. Bovendien zouden kosmos, dier en plant niet
regelmatig kunnen ontstaan. Zon, maan en sterren konden ook niet hun wonderbare
banen volgen. De Oorzaak aller oorzaken, die tevens een intelligent Wezen is,
noemen wij God of Allah. Indien wij dit hebben leren inzien, dan is het voor
ons ook begrijpelijk geworden, dat wij niet zonder doel op aarde zijn. Wij
kunnen ons immers niet voorstellen, dat een intelligent Wezen iets doelloos zou
kunnen scheppen en dit kan van de Alwijze allerminst worden aangenomen.
Als men over al het geschapene gaat nadenken, zal de stem van ons
hart klinken: 'Onze Heer, Gij hebt deze niet vergeefs geschapen' (De
Heilige Qoer'aan 3:190).
Verder lezen wij in de Heilige Qoer'aan (71:13): 'Wat scheelt u,
dat gij niet op grootheid van God hoopt?' D.w.z. dat Allah alles voor een
bepaald doel heeft geschapen; in alles wat Hij doet ontstaan is wijsheid en
doelmatigheid verborgen. Wij zien ook dat alles wat buiten ons bestaat een
bepaald doel heeft, waaraan het op voortreffelijke wijze beantwoordt.
Aan de mens zijn bijzondere vermogens verleend, waardoor alles wat
zich buiten hem bevindt dienstbaar gemaakt kan worden te zijnen gerieve. Hij
kan de sterkste dieren aan zijn wil onderwerpen, gebruik maken van rivieren,
zeeën en bergen. Hij kan zowel macro- als microkosmos onderzoeken en
daarvan profijt trekken. Het menselijk vernuft is tot grootse dingen in staat.
Waarom werden aan de mens zulke vermogens
geschonken? Waarom werd hem heerschappij over al het geschapene gegeven? Wat
heeft de mens meer dan een dier? Eten, drinken, slapen en zich voortplanten?
Dit doet een dier ook, dus kan hierin geen doel voor een mens liggen.
Kunnen wij het doel van ons leven bepalen? Het doel van ons leven
kunnen wij niet zelf bepalen. Wij kunnen wel ons verstand gebruiken, maar alles
zal een soort vermoeden zijn en aan twijfel onderhevig. Wij kunnen hierin ook
vergissingen begaan, zoals men dit door de eeuwen heen heeft gedaan.
Wanneer wij uit vrije wil op reis gaan, dan
bepalen wij het einddoel van onze reis, maar wanneer een ander ons ergens heen
voert, dan kunnen wij ons doel niet naar eigen begeren bepalen, maar moeten wij
wachten totdat degene die ons heeft geleid, zijn wil bekend maakt.
Daar wij niet uit eigen wil in het leven zijn gekomen, kunnen wij
ons doel niet door loutere vermoedens vaststellen. De Schepper, Die ons in het
leven heeft geroepen, kan ons bekend maken voor welk doel wij hier op aarde
leven. En dit heeft Hij ook gedaan. Als men de Heilige Qoer'aan opslaat, vindt
men het antwoord in de volgende bewoording:
'Ik heb de djinn en de mensen niet geschapen, dan opdat zij Mij
zouden dienen' (51:56). Te Mijner aanbidding betekent niet, dat men enkele
woorden van gebed prevelt, stellig niet, dit sluit veel meer in, want al het
geschapene zingt lofliederen aan God en prijst Zijn Heerlijkheid. Deze
aanbidding, waarvoor de mens werd geschapen, moet iets anders zijn. Iets dat
alleen voor de mens mogelijk is en waarin geen ander schepsel zijn mededinger
kan zijn.
In de Heilige Qoer'aan wordt ons dit door een gelijkenis duidelijk
gemaakt: 'De Almachtige wilde iets aan de hemelen, de aarde en de bergen
toevertrouwen, maar deze aanvaardden het niet, en weigerden, bevreesd dat zij
niet in staat zouden zijn de opdracht te vervullen, doch de mens nam het op
zich'.
Dit is een beeld, waarmede Allah heeft verklaard,
dat onze plicht hier op aarde veel hoger ligt, en dat geen ander schepsel in
staat is die te volbrengen. Wij lezen verder in de Heilige Qoer'aan, dat toen
God de mens wilde scheppen, Hij dit aan de engelen bekend maakte, die zeiden:
'Wat! zult Gij daarop zulk een plaatsen, die daarop kwaad zal stichten en
bloed zal vergieten, en wij verkondigen Uw lof en verheerlijken Uw heiligheid?
Hij zei: Waarlijk, Ik weet wat gij niet weet'(2:30). En toen de mens werd
geschapen, heeft God de engelen enige vragen gesteld en zij konden die niet
beantwoorden, maar de mens (Adam) gaf het juiste antwoord.
Dit is een andere gelijkenis die toont, dat de mens met zulke
vermogens is begiftigd, dat hij boven alle schepselen uitsteekt.
'Opdat zij Mij zouden dienen' is dus niet een gewoon gebed of
lofzang. Integendeel, het betekent veel meer dan het als papagaai herhalen van
enkele woorden. Deze aanbidding drukt uit, dat de mens de Goddelijke
eigenschappen moet uitwerken. Door woord en daad moet hij een evenbeeld Gods
trachten te zijn.
Dit was ook hetgeen God de aarde, de hemel en de bergen heeft
willen toevertrouwen, wat zij niet konden aanvaarden. Het is de mens die door
zijn vrije wil, niettegenstaande grote moeilijkheden, de wil van de Almachtige
kan trachten te volbrengen. Andere schepselen hebben geen keuze. Van nature
zijn zij zo geschapen, dat zij doen zoals hun bevolen wordt. De mens echter
geraakt in verwarring door het wereldse, maar desondanks kan hij zich er los
van maken en zijn weg banen naar zijn Schepper, die in zijn wezen de Goddelijke
vonk heeft gelegd, welke hem altijd aanspoort om naar Hem terug te keren.
In het wezen van elk mens heeft God het geloof aan Hem gelegd. Dit
is de reden, dat ieder mens de erkenning daarvan op de een of andere wijze tot
uitdrukking brengt.
De Heilige Qoer'aan heeft dit in een andere gelijkenis
geïllustreerd. Deze erkenning is zo sterk alsof God de ziel een belofte
heeft doen afleggen, dat zij Hem zal aanvaarden en in Hem geloven. Dit werd in
de vorm van een vraag en antwoord uitgedrukt. God vroeg de mensen: 'Ben ik
niet uw Heer?' Zij zeiden: 'Ja! wij getuigen' (7:172). Dit is het antwoord
van iedere ziel als men een blik in haar binnenste zou kunnen slaan. Tijdelijk
mag men dit niet kunnen opmerken, maar als de sluier wordt weggenomen, klinkt
steeds dezelfde stem 'Ja zeker, Gij zijt onze Heer, inderdaad Gij zijt onze
Schepper en Onderhouder.'
Wanneer wij door onze handelwijze en door ons verzinken in het
materiële en het wereldse onze weg niet meer kunnen vinden, zendt Hij een
leraar, die ons tot licht dient en de weg wijst. Deze leraren zijn er door de
eeuwen heen geweest. De leraren der mensheid maken ons door hun woord en
voorbeeld duidelijk, dat wij voor een hoger doel geschapen zijn. Zij leren ons,
dat wij hier in een schijnwereld leven en hoe wij de sluier, die onze ogen
bedekt, kunnen verwijderen. Door hun voorschriften op te volgen krijgen wij de
kans het Aangezicht van de Allerhoogste te aanschouwen. Al kunnen wij in het
begin van het pad, dat wij trachten te volgen, nog niet inzien, dat de
voorschriften van de profeten en boodschappers van God nuttig en vruchtbaar
zijn, dan komen wij door nadenken en overdenken toch langzamerhand tot het
inzicht, dat wij aan hun voorschriften (geboden en verboden) wel behoefte
hebben.
De wetten van de boodschappers van God kunnen wij
nooit als vloek beschouwen. Want als wij nadenken, dan komen wij tot het besef,
dat ons leven aan grote wetten gebonden is en dat ze ons ten zegen worden,
indien wij ze opvolgen. Verwerpen wij echter deze aanwijzingen, dan wordt
diezelfde wet degene, die haar onderschat en negeert, tot een vloek. Maar op
zichzelf kan de Goddelijke wet niet een vloek zijn.
Volgens de islam is de wet - geboden en verboden van de profeten -
een barmhartigheid Gods, waarvoor wij Hem dankbaar moeten zijn. Dankbaar voor
het feit, dat Hij een weg wijst, die ons in onze nood en moeilijkheden kan
helpen.
Het is een weg, die ons uiteindelijk naar ons Vaderhuis voert. Het
is een licht, dat dag en nacht bij ons blijft op de weg om ons te behoeden voor
het vallen in de diepste diepte van de hel. Volgens de terminologie van de
islam wordt deze wet Sjariat genoemd.
In het voorgaande hebben wij kunnen vaststellen, dat wij niet voor
wereldse doeleinden geschapen zijn. Dit leven is tijdelijk en betekent niet ons
einde. Ons doel ligt in het streven naar onze oorsprong en in het trachten zich
met die Oorsprong (d.i. God) te verenigen. Uit God zijn wij en tot God moeten
wij terugkeren.
Wij hebben gezien, dat het doel van de mens hier op aarde volgens
de islam is, om de Goddelijke eigenschappen in zich op te nemen en uit te
werken. Dit is dan ook de reden, dat wij begiftigd zijn met verschillende
vermogens en een verstand om dit doel te kunnen verwezenlijken.
Om de strekking van deze bedoeling goed te begrijpen, hebben wij in
de eerste plaats leiding nodig, die ons in al deze ingewikkelde omstandigheden
kan helpen. Maar voordat men een leiding volgt, moet men zijn verstand
gebruiken en die leiding op de rede toetsen om de ware leiding van de schijn te
onderscheiden. Wel kunnen wij met gesloten ogen of in navolging van onze ouders
een godsdienstig stelsel aanhangen, doch daarmee zijn wij nog niet in staat ons
doel te bereiken. Het geloof moet ons eigendom zijn en niet dat van ouders,
vrienden, voorgangers of andere mensen. Zij kunnen ons helpen en leiding geven,
doch wij zijn tenslotte zelf verantwoordelijk voor al ons doen en laten. Indien
wij verkeerde dingen doen, kunnen wij ons niet verontschuldigen met te zeggen,
dat wij onze vrienden of familie hebben nagevolgd. Dit zal ons in het geheel
niet baten. Daarom legt de Heilige Qoer'aan er de nadruk op, dat men in zake de
godsdienst zijn verstand moet gebruiken, zodat men behoed blijft voor het
afdwalen.
Indien men echter een godsdienst uit vrije wil en overtuiging heeft
aanvaard, dan moet men met hart en ziel deze uitdragen en er naar leven. De
Heilige Qoer'aan zegt hieromtrent:
'Waarom zegt gij wat gij niet doet?' (61:2). Wij kunnen
nooit verzadigd worden, wanneer wij geen voedsel gebruiken doch alleen 'praten'
over allerlei lekkernijen. Evenmin kunnen wij onze geest bevredigen als wij
over een godsdienst praten en deze niet beleven.
Er zijn mensen die op de Genade Gods wachten om hen uit de diepte
der aarde naar een hoger gelegen punt te verplaatsen. Dit is echter nooit
gebeurd en zal nooit gebeuren zonder de eigen inspanning die hiervoor nodig
is.
Wij kunnen een geloof wel als genade Gods beschouwen, maar dan
alleen in die zin, dat de Barmhartige ons geholpen heeft door het zenden van
Zijn Gezanten. Het opvolgen van hun lessen is ons werk. Het licht is immers de
genade Gods, doch indien men het luik voor het raam van zijn kamer niet opent,
dan kan het licht nooit binnendringen. Doet men het luik open, dan komt het
licht volop binnen naar mate van de opening van het raam. Zo is het ook
gesteld, wanneer iemand het venster van zijn hart openstelt, dan valt er
Goddelijk licht binnen, waardoor alles in hem licht wordt. Dit is een daad van
een ieder persoonlijk in zijn streven naar het doel. De islam wijst ons de weg
en verklaart dat wij zeker ons doel zullen bereiken, indien wij deze weg
bewandelen.
De Heilige Qoer'aan zegt: 'Zij die zeggen: Onze Heer en Meester
is Allah en die standvastig blijven, op hen dalen engelen Gods neder, zeggende:
Weest bang noch treurig, maar weest blij met het Paradijs'
Hier wordt ons geleerd, dat wij zeker ons doel
zullen bereiken en de voortekenen er van reeds hier op aarde kunnen ontvangen,
indien wij een juist geloof hebben aanvaard en daarin standvastig blijven.
In deze tekst wordt het woord 'Paradijs' gebruikt als doel voor de
mens; het Paradijs, waar hij in gemeenschap met Allah zal leven en waar zijn
hart rust en vrede zal vinden.
Dit Paradijs is niet iets wat men gewoonlijk onder dit woord
verstaat. Integendeel, het heeft een andere betekenis, n.l. een toestand die
men hier op aarde ook zou kunnen bereiken. Om deze toestand of Paradijs - welke
het doel van ons leven is - te bereiken, heeft een moslim van node, dat hij al
zijn handel en wandel alleen aan Allah wijdt. Hier is het niet een kwestie van
zelfverloochening in de zin van terugtrekking uit het leven en zijn
moeilijkheden, of zelfverheerlijking in de zin dat men zich met God
vereenzelvigt, waardoor men zich boven het menszijn verheft. Integendeel, dit
heeft voor een moslim een geheel andere betekenis. Men moet zijn wil niet
tegenover de wil van God stellen, doch Gods wil volgen uit eigen vrije
beweging, men moet in de wereld blijven doch niet van de wereld zijn. Indien
men zich onttrekt aan de wereld, de aardse strijd opgeeft en niet bereid is tot
het offer van zichzelf, dan heeft men de zin van het leven niet begrepen.
Algehele
overgave
De islam eist van ons, dat wij een stadium bereiken waar de mens
zeggen kan: 'Mijn gebeden en offeranden, mijn leven en sterven zijn alleen voor
Allah, de Heer der Werelden.' Dan doet men niets uit eigen belang, doch
uitsluitend terwille van Degene, Die ons geschapen heeft.
De verhouding van
de mens tot God
Men zou deze verhouding enigszins kunnen vergelijken met de
verhouding tussen echtgenoten, waarin geen geheim bestaat. Deze laatste
verhouding is veel intiemer dan die tussen een kind en zijn vader, want tussen
een kind en zijn vader blijft altijd enige afstand. De volle eenheid en
eenwording tussen man en vrouw kan nooit elders te vinden zijn.
Deze verhouding wordt ook door het woord islam aangeduid,
daar dit betekent: zich geheel en al overgeven aan de wil van God. Maar dat wil
niet zeggen als slaaf tegenover God staan, zoals men soms in het Westen over de
islam denkt. Omdat men dit punt van de islam niet goed heeft begrepen, denkt
men, dat de islam God als een despoot over ons zou stellen. Integendeel, hier
wordt met de overgave bedoeld dat een moslim een stadium moet bereiken, waar
hij uit liefde en innige verbondenheid met de Almachtige, kan zeggen: 'Ik ben
hier, ik ben in Uw tegenwoordigheid, ik heb alles meegebracht wat ik bezat, ik
wil niets meer hebben dan Uw Welbehagen. Al mijn doen en laten zijn slechts
gericht op het zoeken van Uw Aangezicht.' Dit wil stellig niet zeggen, dat men
zou moeten ophouden om mens te zijn, integendeel, de mens moet mens blijven en
tevens zijn natuurdriften beheersen, hetgeen iets anders is dan ze te
onderdrukken.
Een juist geloof
Zoals wij reeds in het voorafgaande hebben opgemerkt, hebben wij in
de eerste plaats een juist geloof nodig, dat ons kan helpen en als licht dienen
wanneer wij door de duisternis worden omhuld. Door het verstand te gebruiken,
kan men tot een geloof komen, dat men volgen wil, volgen met hart en ziel.
Het symbool van
het eerste stadium
Wanneer iemand op deze wijze tot de islam overgaat, dan bevindt hij
zich in het eerste stadium van dit geloof. Symbolisch zou men dit als volgt
kunnen uitdrukken. Iemand bevindt zich in een koele duistere nacht te midden
van een woestijn; hij verlangt naar licht en warmte. Hij kijkt rond naar een
teken, dat hem de weg zou kunnen wijzen naar het begeerde. In de verte ziet hij
rook en hij is er nu van overtuigd, dat er noodzakelijk daar een vuur moet
zijn, dat hem licht en warmte kan verschaffen. Zou deze persoon op zijn
uitkijkpost blijven staan, dan zou hij dit doel nooit kunnen bereiken; hij moet
de weg bewandelen, die hem er heen kan voeren. Op dit punt wordt het geloof
iemaan en de weg sjariat (Goddelijke wet) genoemd. En het
bewandelen van deze weg betekent streven naar het hogere stadium.
Tweede stadium
De mens, die uit het waarnemen van de rook opmaakte, dat er op dat
punt vuur moest zijn, heeft nu de afstand afgelegd en hij is dichter bij het
vuur gekomen. Nu ziet hij met eigen ogen, dat zijn veronderstelling juist was,
de twijfel ontvliedt, want hij heeft een ervaring opgedaan.
De weg of wet, welke wij sjariat hebben genoemd, die zich
buiten hem bevond en die hij bewandelen moest, is nu voor hem een innerlijke
wet geworden. Hij denkt niet meer over wetten en voorschriften, doch beleeft
deze. Volgens de terminologie wordt het geloof van dit stadium irfaan en
de wet tarieqat genoemd.
Het derde
stadium
De mens, die de reis begonnen was op zoek naar het vuur en die de
plek bereikte, waar hij rook waarnam, verloor elke twijfel toen hij het vuur
zelf aanschouwde. Nu komt hij nog naderbij en voelt de weldadige warmte, die
zijn hele lichaam doordringt.
Hij wil niet meer in de donkere, koude nacht van het wereldse terug
en werpt zich in het vuur om er één mee te worden, en zich voor
altijd veilig te stellen voor alle gevaren, zorg en moeite. Hij verliest
zichzelf en neemt de kleur van het vuur aan, evenals het ijzer in het vuur
gloeiend heet wordt en er de kleur van aanneemt.
Hieromtrent zegt de Heilige Qoer'aan: 'Maakt Allah's kleur tot
de uwe' (2:138). Dus weest één met Hem en straalt Zijn
Eigenschappen uit. In dit stadium heeft de mens zijn doel bereikt. Hij heeft
alles wat hij gekregen had teruggebracht tot God, ook zichzelf, zijn wil en
verlangen, zijn doen en laten. Het geloof van dit stadium wordt ieqaan
(volle zekerheid) en de wet haqieqat (werkelijkheid) genoemd. Nu wij
hebben getoond, hoe het gewone geloof en de wet zich door deze drie stadia
hebben ontwikkeld, kan men ook begrijpen, dat slechts het zien van een teken
ons niet kan helpen. Men moet de weg volgen welke tot die plaats leidt waar wij
het teken van de waarheid hebben gezien.
Uitwerking van het geloof
Er is een andere uitwerking, die het geloof en het volgen van de
wet tot stand moeten brengen. Met de ontwikkeling van het geloof en van de wet
op elk stadium moet ook de uitwerking zich ontwikkelen en bij iedere stap,
welke men naar het hogere aflegt, moet de uitwerking van het geloof ook groter
en subliemer zijn. Is dit niet het geval, dan moet men zijn geloof herzien.
Salihiyyat
Het eerste stadium van het geloof brengt de mens tot
salihiyyat, d.w.z, dat de mens van dit stadium voorzichtig wordt in al
zijn handelingen. Hij streeft er naar niemand kwaad te doen. Alles wat van hem
uitgaat moet mooi zijn en heil brengen. Is deze uitwerking nog niet zichtbaar,
dan is men nog niet op weg naar huis. Voor iemand die huichelachtig is, de naam
van God uitspreekt, gebeden prevelt, doch wiens doen en laten niet beter zijn
dan die van een onwetende, moet men zich in acht nemen en voor diens beweringen
moet men oppassen. Ook de mens die zich uiterlijk braaf, eerlijk en vroom
voordoet, maar wiens persoonlijk leven daarmee in strijd is, kan de ware
gelovige niet zijn. De ware gelovige zal niet meer op die wijze kunnen
handelen. Zijn leven in het openbaar en in het verborgene zullen met elkaar in
overeenstemming en niet met elkaar in strijd zijn. Ook indien zijn eigen belang
in het gedrang komt, zal hij even eerlijk blijven als hij tegenover anderen
beweert te zijn. De Heilige Qoer'aan zegt: 'O, gij die gelooft! wees
onderhouders van de rechtvaardigheid, getuigen om Gods wille, zij het ook tegen
uzelf of uw ouders of uw nabestaanden; hij zij rijk of arm, God is hoogst
bekwaam om met hen beiden te handelen' (4:135).
Sjahadat
Op het tweede stadium van het geloof en van het volgen ervan leggen
de daden van de gelovige nog grotere getuigenis daarvan af. De Heilige Qoer'aan
noemt deze toestand sjahadat. Nu is men in staat zo nodig zichzelf en
alles wat men bezit op te offeren. Men denkt niet aan eigen belang en
voordelen, doch aan die van anderen, niet om beloning te verkrijgen of uit
vrees voor straf. Men doet alles wat men doet uit innerlijke noodzaak. Men
denkt er niet meer aan, hoe anderen zullen reageren, of zij dankbaar of
ondankbaar zullen zijn. Deze handelwijze wordt in de Heilige Qoer'aan met het
woord ihsaan aangeduid, d.i. het goed doen zonder dat men iets van
anderen terug verwacht.
Siddieqiyyat
Op het derde stadium van het geloof en van de haqieqat
bereikt men een punt waar men zich in het Goddelijke Vuur werpt en er
één mee wordt. Zijn zitten, staan en liggen, spreken en zwijgen,
denken en mediteren, eten en drinken, bidden en vasten worden alleen gewijd aan
Allah, de Heer der Werelden. De gelovige wordt één met Hem, Die
hem in het leven heeft geroepen. Alle geheimen worden opgeheven, hij staat
alleen met zijn Geliefde, wiens wil hij door de moeilijkheden heen heeft
gevolgd. De tijd van de bevruchting is aangebroken, want de volle
éénwording is een feit geworden. Dit stadium wordt
siddieqiyyat genoemd, d.w.z. dat alles waarheid is geworden. Waarover
men eerst door het woord had getuigd, dat heeft men nu door de daad getoond. De
mens van dit stadium werkt de Goddelijke Eigenschappen uit. Hij denkt niet meer
alleen aan zijn familie, vrienden of verwanten doch de hele mensheid behoort
tot hem. Hij gedraagt zich tegenover de mensheid als een moeder tegenover haar
kinderen. Gelijk een moeder denkt deze mens over zijn medeschepselen en
niettegenstaande het feit dat zijn medemensen hem kwaad doen, doet hij hun
goed. De medemensen brengen moeilijkheden op zijn weg en verspreiden doornen op
zijn pad, doch hij bidt voor hen, want zij weten niet wat zij doen.
De mens die zo ver is gekomen, getuigt van zijn innerlijk door zijn
handelwijze. De wereld geeft ook getuigenis van dit feit, zelfs degenen, die
hem uit eigen belang haten.
Nu ontvangt hij de geestelijke vruchten, die zich in de vorm van
Allah's openbaringen manifesteren. Het zijn de geheime gesprekken als die
tussen geliefde en minnaar, tussen de man en zijn vrouw. In dit stadium kan men
zeggen: 'Ik en mijn Vader zijn één.' Iemand die alles in beweging
heeft gezet om het punt siddieqiyyat te bereiken, heeft daarna geen
verlangen of wens meer. Hij is nu in Allah's handen als een kind in de handen
van zijn liefdevolle moeder. Als het nodig wordt, legt Allah grote
verantwoordelijkheid op zijn schouders, om de mensheid, die de weg niet kan
vinden, te leiden naar het Vaderhuis.
Resumerend
In het voorafgaande hebben wij gezien wat het doel van de mens op
aarde is en wat de zin is van dit leven. Wij hebben tevens gezien hoe men
geleidelijk dit doel kan bereiken. Wij spraken over de verschillende stadia en
trappen van het geloof en van de daad, en lieten zien welke uitwerking het
geloof op iedere trap van zijn ontwikkeling op de mens heeft. Het geloof moet
dus in de daaropvolgende daad zichtbaar worden, zodat de medemensen het er
éénstemmig over eens zijn, dat zo iemand niet in staat is anderen
te benadelen. Niet alleen geven zijn naaste familieleden en vrienden een
getuigenis over de oprechtheid van zijn doen en laten, doch ook zijn innerlijk
bewijst de waarheid hiervan door de buitengewone rust en vrede, die in zijn
hart wonen.
Wel beweren sommigen dat zij een innerlijke vrede bezitten en dat
zij anderen ook die rust kunnen schenken, doch deze is onder moeilijke
omstandigheden toch vaak spoedig verstoord.
De bezitter van de werkelijke vrede en rust kan door niets meer uit
zijn evenwicht gebracht worden. Voor zulk een ziel luidt de stem van de
Almachtige: 'O ziel die in rust zijt! Keer tot uw Heer terug, tevreden met
Hem, Hem welgevallig. Treed derhalve onder Mijn dienaren binnen. En treed Mijn
tuin binnen.'(89:2730).
De islam voert
de mens naar zijn doel
Ieder mens komt op aarde zonder zonde, hij is belast noch met
erfzonde noch met die van een vroeger leven. Doch door de schone schijn van het
wereldse verlokt, valt hij tot een dierlijke staat. In de Heilige Qoer'aan
lezen wij: 'Voorzeker hebben Wij de mens in beste vorm geschapen. Vervolgens
brengen Wij hem terug tot de laagste der lagen' (95:45). D.w.z. dat
een mens bij zijn geboorte rein en zuiver van natuur is. Maar door de invloed
van zijn omgeving vervormd, valt hij in een diepe afgrond.
De taak van de godsdienst is nu aan de ene kant de gezonken mens op
te heffen en terug naar zijn oorspronkelijke vorm te brengen en aan de andere
kant, hem die nog niet is afgedwaald te behoeden. Op welke wijze de islam dit
tracht te bereiken gaan wij thans verduidelijken.
De islam geeft
hoop
De islam ziet de mens zoals hij in werkelijkheid is, met al zijn
fouten en gebreken, tot verhevener dingen in staat. Daarom zal de islam nooit
zeggen, dat er voor iemand op het geestelijke of innerlijke terrein geen hoop
meer is. Hij geeft hoop aan iedereen om te worden opgenomen in de armen van de
Liefderijke Vader. Het doel van de Heilige Qoer'aan is derhalve om de mensen
uit de duisternis naar het licht te brengen; mensen die door hun eigen
handelwijze de weg niet meer kunnen terugvinden. Wij lezen in het begin van het
14e hoofdstuk het volgende: 'Ik ben God, de Ziende. Dit is een Boek, dat Wij
tot u hebben geopenbaard, opdat gij de mensen, met het verlof van hun Heer, van
de duisternis tot het licht zult brengen _ tot de weg van de
Machtige, de Geprezene.'
Barmhartigheid
Gods
Tot hen die in hun gedragingen buitensporig zijn geweest en van wie
men zou kunnen zeggen dat zij verloren zijn gegaan, zegt de Barmhartige: 'La
tagnatoe min Rahmatillah' (39:54), d.i. wanhoopt niet aan Mijn
Barmhartigheid. Voorwaar, Allah kan alle zonden vergeven. Alleen moet men zich
tot Hem wenden en zich voor Zijn Genade en Barmhartigheid openstellen. Het
licht van Allah's Liefde zal de mens geheel verlichten, zodat hij zijn weg zal
kunnen volgen die naar het Vaderhuis leidt.
De mens is immers meer dan een dier, hij toch kan luisteren, denken
en uit vrije beweging de wil volgen van Hem, die hem in het leven heeft
geroepen. Alleen de sluier, die over zijn ogen ligt, moet worden
verwijderd.
De islam leert ons hieromtrent, hoe wij weer tot onze zuivere staat
kunnen terugkeren; daartoe geeft hij geboden en verboden. Hij geeft ons
voorschriften om ons lichaam en onze ziel gezond te houden en te voorkomen dat
deze ziek worden. De islam legt er de nadruk op, dat alles wat wij gebruiken,
zowel voedsel als drank, ons lichaam en onze geest beïnvloedt, want wij
zijn een psychofysische éénheid. Men kan niet de geest van
het lichaam onderscheiden, noch kan men de invloed, die de lichamelijke
gesteldheid en de uiterlijke gedragingen van de mens op de geest uitoefenen,
geheel tegenhouden. Men mag het lichaam niet verwaarlozen en alle aandacht
schenken aan de geest, noch mag men het omgekeerde doen. Voor beide moet men
zorg dragen, zodat de volledige mens gezond blijft. Dit punt heeft de islam
goed ingezien en hierdoor kon hij de voorschriften geven voor de gezondmaking
van lichaam en geest. Als men de geboden en verboden van de islam naleeft,
hoedt men zich er voor, zijn natuur te verderven en zullen de geest en het
lichaam gezond blijven. Men komt door het volgen van deze geboden en verboden
tot inzicht en verheft zich langzamerhand boven de dierlijke staat door driften
en begeerten te beheersen. Men leert tevens naar anderen te luisteren,
voorbeelden te zien en daaruit leringen te trekken. Hierdoor verheft men zich
boven de dierlijke staat.
Heeft de mens dit stadium bereikt, dan brengt de islam hem verder
naar het moreel menszijn. Hij leert wat moraal en zedelijkheid eigenlijk
betekenen.
De islam beschouwt de neigingen die de mens door zijn geboorte
meekrijgt, niet als uiting van zijn menszijn, laat staan van een moreel
menszijn. Iemand, die alleen volgens zijn natuurlijke neigingen een handeling
verricht, kan niet beter dan een dier zijn. Een mens kan soms liefde tonen,
liefde die ieder dier ook kent, maar daardoor kan hij nog geen morele mens
worden genoemd. Iemand, die geen vermogens heeft om kwaad te kunnen doen, mag
er zich niet op beroemen, dat hij moreel hoger staat omdat hij geen kwaad doet.
Een dier, dat door zijn natuur zachtmoedig is en dat geen kwaad kan verrichten,
beschouwen wij evenmin als een moreel hoogstaand dier. Als de handelingen van
een mens, door zijn verstand en rede worden geleid, kunnen wij hem als een
morele mens beschouwen. De Heilige Qoer'aan geeft ons aanwijzingen, hoe wij dit
stadium kunnen bereiken. Hij zegt ons, hoe wij ons tegenover onze medemensen
moeten gedragen; hoe wij tegenover onze ouders, vrouw of man, kind en andere
verwanten moeten staan. Hoe wij tegenover onze vrienden dienen te handelen en
hoe wij ons dienen te gedragen tegenover andersdenkenden; eveneens tegenover
iemand, die ons benadeelt. Hij leert ons tevens, dat wij in al onze gedragingen
rechtvaardigheid moeten betrachten en allen, die in nood verkeren, moeten
helpen.
Van het
zedelijke naar het geestelijke
Nadat men een hoog zedelijk peil heeft bereikt, moet men hierbij
niet stilstaan, dit is immers een punt om verder van op te stijgen. Blijft men
hier zitten, dan heeft men de zin van zijn bestaan nog niet begrepen. Men moet
nog verder gaan en zich niet tevreden stellen met te zeggen dat men niemand
kwaad doet en dat men tracht anderen zo goed mogelijk te helpen en bijstand te
bieden. Dit brengt de mens alléén op het humane niveau, terwijl
de mens voor hoger doel is geschapen. Geen kwaad doen en enigermate anderen
helpen is niet het uiteindelijke doel waarvoor hem grote vermogens werden
geschonken. Iemand die slechts dit stadium heeft bereikt, heeft nog niet de
nodige gemoedsrust verkregen, waarnaar hij streefde, want de mens heeft een
drang naar het hogere en voordat men dit hogere bereikt, vindt men nergens
vrede en rust.
De islam geeft
gemoedsrust
Hoe stelt de islam ons in staat deze verloren schat terug te
vinden? Nu gaan wij ons met deze vraag bezighouden.
In de eerste plaats heeft de islam er de nadruk op gelegd, dat de
Schepper der hemelen en der aarde bestaat. Dit is geen veronderstelling of
vermoeden, maar een werkelijkheid. De islam werkt niet alleen op de gevoelens
van de mens, doch ook op zijn rede en verstand. Hij voert zulke argumenten aan
voor het bestaan van God, dat de rede van de mens ervan overtuigd wordt, dat er
inderdaad een Schepper bestaat, Die alles geschapen heeft.
Gods eigenschappen
Dan toont de islam het Aangezicht Gods door Zijn Eigenschappen op
te noemen, die ieder ogenblik in werking treden en die wij met onze ogen kunnen
aanschouwen en met ons lichaam en ziel beleven. Hij ruimt eveneens alle
misverstanden op, waardoor de mens in verwarring zijn weg zou kunnen
kwijtraken. Hij zegt duidelijk, dat er buiten de Almachtige geen godheid
bestaat, die de mens in zijn nood zou kunnen helpen. In de Heilige Qoer'aan
lezen wij hieromtrent het volgende: 'Zeg: Hij, God is Eén. God is
Hij, van Wie alles afhangt. Hij baart niet, noch is Hij gebaard; En niemand is
Hem gelijk.' (112:14).
'God is Hij, buiten Wie er geen god is, de Eeuwiglevende,
de Zelfbestaande, door Wie alles bestaat; sluimering bevangt Hem niet, noch
slaap. Al wat in de hemelen is en al wat op de aarde is, is van Hem. Wie is hij
die bij Hem een voorspraak kan zijn behalve met Zijn verlof? Hij weet wat
vóór hen is en wat achter hen is, en zij kunnen niets van Zijn
kennis omvatten, behalve wat Hem behaagt; Zijn kennis strekt zich over de
hemelen en de aarde uit, en het beschermen van beide vermoeit Hem niet, en Hij
is de Allerhoogste, de Grote.' (2:255).
'God is de Gever van het Licht in de hemelen en op aarde;
een gelijkenis van Zijn licht is als een nis waarin een lamp is; de lamp is in
een glas, en het glas is als het ware een schitterende ster, aangestoken van
een gezegende olijfboom, die noch van het Oosten noch van het Westen is,
waarvan de olie schier licht geeft, hoewel geen vuur ze aanraakt - licht op
licht - God leidt tot Zijn Licht wie Hij wil en God stelt de mensen
gelijkenissen voor, en God is bekend met alle dingen' (24:35).
De schoonheid van Zijn persoon trekt dan de mens tot zich en
de mens begint zijn reis en streeft naar éénwording met Hem, die
de Schoonste aller schonen is. Dus het eerste middel is: te weten wie eigenlijk
God is, en het tweede middel is: te streven naar éénwording met
Hem.
La ilaha ill
Allah
Het eerste middel wordt gegeven door de woorden, die ieder moslim
moet uitspreken: 'La ilaha ill Allah', er is geen voorwerp van verlangen
en liefde buiten Allah. Alles heeft een schoon aanschijn, doch de ware
schoonheid is alleen in Hem te vinden, Die de Bron is van alle schoonheid en
Wiens Schoonheid eeuwigdurend is en aan geen verandering onderhevig.
Het gebed
Om het streven naar dit doel vruchtbaar te maken, heeft de islam
ons het gebed geleerd, dat alleen tot Hem gericht kan worden, Die alle lof
waardig is. Een moslim wordt geleerd, dat het aanbidden van dingen die buiten God zijn, de mens van zijn doel afbrengt. Dit is
hetzelfde als wanneer men naar een bepaalde stad moet reizen en men in plaats
van het juiste pad te volgen een verkeerde kant oploopt. Evenals deze persoon
zal de afgodendienaar zijn doel niet kunnen bereiken.
Afgoderij
Maar de afgodendienst of de afgoderij ligt niet alleen in het maken
van een beeld waarvoor men zich ter aarde werpt. Integendeel, ook alles wat men
boven God lief heeft zal een afgod heten. Dus moeten wij alle voorwerpen van
verlangen en begeerten van ons pad wegruimen en ons geheel richten naar ons
doelpunt. Dit wordt in het gebed door 'Allaho Akbar' te zeggen tot
uitdrukking gebracht, d.w.z. dat men alleen de Grootheid en Heerlijkheid van de
Almachtige erkent en wie dit doet, is zo overweldigd door Zijn Grootheid en
Luister, dat hij zich van alles afwendt en zich alleen tot Hem richt.
Het gebed centraal
in het leven
De islam stelt het gebed centraal in het leven. Gebed betekent
niet, dat de Almachtige God het prevelen van sommige woorden nodig heeft.
Stellig niet.
De heilige profeet Mohammed (Gods vrede rust op hem) zei, dat
indien alle mensen zouden samenkomen en zich inspannen om de Heerlijkheid Gods
te tonen en Hem daarvoor zouden loven en prijzen, dan zou dit niets aan zijn
Koninkrijk en Grootheid toevoegen. Omgekeerd, indien alle mensen zouden
samenkomen om Zijn Grootheid of Heerlijkheid te ontkennen, dan zou dit evenmin
iets aan Zijn Koninkrijk kunnen afdoen. Derhalve heeft God ons gebed niet
nodig. Wijzelf zijn het, die het gebed nodig hebben, want het gebed is een
middel om ons nader tot het bereiken van ons doel te brengen: het
éénworden met Hem. Het gebed is als een intiem gesprek, dat een
mens met zijn Geliefde voert. Dus kan dit gebed niet alleen het herhalen van
sommige woorden betekenen, waaraan God welbehagen zou hebben. Het bevat veel
meer. Men moet met lichaam en ziel het gebed verrichten en in het gebed moeten
beide aanwezig zijn. Indien dit niet het geval is, dan heeft het gebed zijn
recht niet gekregen. Daarom moet het gebed door bezinning zijn ware zin
verkrijgen. De heilige profeet zei, dat men door vrijwillige gebeden zo ver
komt, dat de Almachtige zich door hem manifesteert. Deze manifestatie mag men
niet verwarren met de 'menswording' van God. Dit kan niet gebeuren, want in dat
geval zou de Almachtige Zijn Eigenschappen moeten prijsgeven, hetwelk
zelfvernietiging betekent. Manifestatie Gods betekent alléén, dat
God door zulk een persoon het bewijs levert van Zijn bestaan. Hier zijn alle
mensen gelijk, iedereen die zich de moeite geeft en hiernaar streeft kan dit
stadium bereiken.
Islamitisch
gebed
Het gebed van de moslim is het erkennen van de Grootheid en
Heerlijkheid Gods, welke hem geleidelijk ertoe leidt, dat hij volgens zijn
vermogens naar die Godheid streeft, die zulke Eigenschappen bezit, en om Zijn
hulp vraagt om dit doel te bereiken. Men vraagt niet om het wereldse, voedsel
of drank. Dat geeft God aan iedereen, of hij Hem aanbidt of niet. Hij heeft
alles geschapen, daarom berust het onderhouden en het voorzien in de behoeften
op Hem. Dit heeft Hij in de Heilige Qoer'aan duidelijk naar voren gebracht met
het woord 'Rabboel Alamien', d.w.z. dat Hij de Schepper en Onderhouder
van alle dingen is. Hij is Rahmaan en Rahiem, want Hij voorziet
in de behoeften van Zijn schepselen zonder dat Hem dit gevraagd wordt. Hij is
Malik, de Meester van alles, en alles berust in Zijn handen; ook het
gevolg van onze daden. Hij kan ons vergeven als Hij wil, niemand zal kunnen
zeggen waarom Hij dit doet, ook in dit geval zal Zijn Rechtvaardigheid niet in
het gedrang komen.
Uitkomst van het
gebed
Erkent men dit, dan komt men tot het besef, dat men voor Allah
staat en in alle eerbied vraagt: 'Leid ons op het rechte pad, het pad van
hen aan wie Gij gunsten hebt geschonken' (1:5-6). Men wil nu
één worden met Hem, zoals anderen dit werden die voor hem zijn
geweest. De islam stelt dus de mens in de gelegenheid, zich op de juiste wijze
in te spannen en zich naar het doel richten. De tijd komt dan ook, dat de stem
Gods klinkt: 'Wees niet bang noch treurig, maar wees blij met het
Paradijs' (4:31).
Onze weg is lang en
moeilijk
Dit is wel een lange en moeilijke weg, maar iemand die het
Aangezicht van de Almachtige heeft leren kennen, spant zich in en verzamelt
zijn krachten om zijn reis te beginnen. Gezegend zijn degenen, die deze weg
kiezen en zich moeite geven om alles in beweging te zetten wat in hun vermogens
ligt. De Hand Gods zal uitsteken om hen te ontvangen, ontvangen in Zijn
Liefdevolle Armen, en Zijn stem zal klinken: 'O ziel die in rust zijt! Keer
tot uw Heer terug, tevreden met Hem, Hem welgevallig. Treed derhalve onder Mijn
dienaren binnen. En treed Mijn tuin binnen.'(89:2730). Moge Allah ons
allen in staat stellen, dat wij het doel van ons leven leren beseffen en er
naar streven dit te kunnen bereiken. Amien, ja Rabbal Alamien. Het
laatste woord moge zijn: 'Alle lof komt God toe, de Heer der Werelden.'
|
|