| DE VEROVERING VAN HARTEN Toespraak gehouden op de |
||
| Dr Zahid Aziz
|
||
| Terug naar Hoofdmenu |
|
|
| |
Wanneer ik tegen vrienden zeg dat onze Beweging een moskee in Berlijn heeft, gaan ze ervan uit dat het om een recent gebouw gaat en dat het, zoals de andere moskeeën in West-Europa, gebouwd is om in de behoeften te voorzien van moslims die de laatste jaren naar dit werelddeel zijn geëmigreerd. Groot is echter hun verbazing als ze horen dat de moskee omstreeks 1925 gebouwd is, toen hier nauwelijks moslims woonden. Mensen, zowel moslims als niet-moslims, kunnen zich niet voorstellen waarom er een moskee gebouwd moest worden waar geen moslims waren. Het idee dat de islam onder niet-moslims, met name in de westerse landen, verspreid kan worden, is zelfs nu voor veel mensen niet voor te stellen. In de eerste jaren van deze eeuw was het volslagen ondenkbaar. De reden is duidelijk. Het hedendaagse beeld over de islam is als volgt: de leerstellingen ervan zouden primitief, zelfs afschuwelijk, en tegen ontwikkeling en beschaving zijn. De bedroevende toestand waarin zijn aanhangers verkeren, hun genootschappen en hun landen, bevestigen alleen maar de indruk dat de islam tot het onontwikkelde verleden behoort terwijl hij ook nog eens zijn aanhangers belet, zich te ontwikkelen. De westerlingen deinzen dus alleen al terug voor de naam van de islam, en kunnen zich niet voorstellen dat iemand uit een moderne westerse beschaving daarin zou kunnen geloven. Ook moslims hebben een verkeerd beeld van de islam. Een beeld, dat in vele belangrijke opzichten, enigszins vergelijkbaar is met het westerse denkbeeld van de islam. Bijgevolg slaagt men er niet in hen te inspireren om aan de verbreiding van de islam te werken. Bovendien denken de moslims, als gevolg van het verlies van wereldlijke macht en glorie aan het Westen, dat zij geen middelen hebben waarmee zij anderen van hun geloof kunnen overtuigen. Als dat de situatie is en als er zulke heersende ideeën bestaan, hoe kon dan toch iemand in staat zijn de islam in westerse landen te verbreiden, en wel in die mate, dat een kleine gemeenschap als de Lahore Ahmadiyya beweging, zulke grote opofferingen kan maken om hier een moskee te bouwen? De inspiratie om dergelijke onvergelijkelijke daden te presteren moet erg diep zijn geweest. Zo ook moet het geloof in een definitief slagen erg sterk zijn geweest. Ik wil me nu bezighouden met de volgende vragen: waar komt die grote inspiratie vandaan en hoe kan hij zo sterk zijn. Goddelijke
inspiratie Een godsdienst voor de
mensheid, van harmonie en rechtvaardigheid Hazrat Mirza heeft ook andere internationalistische aspecten van de islam benadrukt. God behandelt alle menselijke wezens volgens dezelfde maatstaf van rechtvaardigheid, ongeacht ras, natie, land, of zelfs het geloof dat zij aanhangen. Hij behandelt mensen volgens hun praktische daden, en niet volgens de etiketten die op hen geplakt zijn. Er is geen voorkeur voor moslims. Iemand krijgt geen verlossing, omdat hij een geboren moslim is, of omdat hij zichzelf een moslim noemt. In Gods oordeel, zal een rechtschapen persoon een beloning voor goede daden niet worden ontzegd, omdat hij geen moslim was, noch zal een kwaaddoener straf ontlopen juist omdat hij toevallig een moslim was. Hetzelfde wordt toegepast in de islamitische gedragscode met betrekking tot wereldse zaken. Moslims wordt verteld dat zij altijd aan de kant moeten staan van eerlijke en betrouwbare mensen, en zich te distantiëren van slechte en onrechtvaardige mensen ongeacht hun religie. De Koran gebiedt de moslims duidelijk, zich niet in te laten met hun eigen mensen in het begaan van misdrijven, en zichzelf ook geen haat toe te staan jegens vijandige mensen of onrechtvaardig tegen hen te zijn. Een vreedzame religieDe tweede leerstelling van de islam die Hazrat Mirza naar voren bracht, betreft de vreedzame en tolerante natuur van de islam. De islam wordt doorgaans, zowel door niet-moslims als niet-geïnformeerde moslims, ten onrechte beschouwd als een intolerant geloof dat zich probeert uit te breiden door middel van dwang en geweld en door politieke of militaire macht. Verder zou de islam, zowel intern onder zijn eigen aanhangers als extern met anderen, geen verschil in overtuiging en mening tolereren. Dit is een diep ingewortelde veronderstelling die moeilijk is uit te bannen. Op de een of andere manier wordt geweld geassocieerd met de naam van de islam. Niet-moslims die deze foute gedachtengang op na houden, zien dit bevestigd wanneer zij horen over de activiteiten en officiële mededelingen van diverse moslim-leiders in de wereld. Het feit dat sommige leiders van een religieuze gemeenschap beweren dat een bepaalde zaak door hun religie is bijgebracht, wil echter nog niet zeggen dat, gelet op de Koran, dat ook werkelijk de leerstelling van de islam is. Enerzijds heeft dit beeld van de islam een enorme hoeveelheid schade aangericht aan de reputatie van de islam onder de verstandig denkende mensen in de wereld. Anderzijds is het zowel schadelijk voor de morele toestand van de moslims als wel heeft het hun opvatting over mensenrechten vervormd. In Hazrat Mirza's tijd was de situatie zelfs erger dan nu, omdat deze ideeën toen sterker en over een groter gebied heersten. Daarom heeft hij de grootste nadruk gelegd op de feitelijke leerstellingen van de Koran en de praktijk van de Heilige Profeet. Beide tonen de islam als een religie van ongeëvenaarde tolerantie en vreedzaamheid. Hazrat Mirza heeft aangetoond dat de islam niet van de moslims eist om in een permanente staat van oorlog met niet-moslims te zijn, hen te haten, of hen te dwingen moslim te worden. De islam verlangt van moslims om op vreedzame manier met anderen te leven. De islam eist van moslims te leven als gezagstrouwe bewoners van welk land dan ook land, inclusief een niet-moslim land, dat hen vrijheid van godsdienst verleent. Onder een moslimse bewind moeten niet-moslims de vrijheid hebben hun eigen geloof te belijden, en alle burger- en mensenrechten krijgen. De door de heilige Profeet gevoerde oorlogen begonnen nadat moslims jaren van vervolging hadden geleden, en aangevallen werden door hun onderdrukkers die het doel hadden hen te vernietigen. De moslims hebben alleen vanwege deze vreselijke omstandigheden de wapens gepakt. Overigens, wanneer een moslim een medemens kwaad doet puur vanwege verschil van geloof, of zelfs zo iemand hulp en medeleven ontzegt als hij dat nodig heeft, dan is dit een misdaad en een zonde bij de islam. Een ander tragisch misverstand dat de islam in een erg slecht daglicht stelt, was de mening dat, wanneer een moslim die in een volgens de islamitische wet bestuurde natie leeft, van geloof zou veranderen, hij veroordeeld zou worden tot de doodstraf. Deze veronderstelling is absoluut in tegenstelling tot de leerstellingen van de Koran en de praktijk van de Heilige Profeet. Hij is ontstaan door een verkeerde interpretatie van de gebeurtenissen in de vroegste moslimse geschiedenis. Levendige spirituele ervaringDe derde leerstelling van de islam die Hazrat Mirza sterk heeft benadrukt, heeft te maken met de uitvoerige religieuze vraagstukken aangaande de spirituele ervaring van een mens, zijn natuur en zijn voortzetting. De grote profeten van God worden in de Bijbel en in de Koran genoemd als mensen die met God communiceren, zowel het ontvangen van Zijn openbaring als het feit dat hun gebeden zijn verhoord en aanvaard. Zij kregen ook buitengewone steun en hulp, boven de menselijke macht uit, in de voltooiing van hun missies. Over het algemeen geloven de aanhangers van een geloof, inclusief moslims, dat zulke verschijnselen alleen maar in het verleden gebeurden en dat er een eind kwam aan die religieuze ervaringen na de tijden van de profeten. Dit heeft tot gevolg dat in het midden van de laatste eeuw, mensen gingen ontkennen dat zulke dingen ooit hebben plaatsgevonden. Als we religieuze boeken vinden, waarin vermeld staat dat dergelijke bovenmenselijke, wonderbaarlijke en verbazingwekkende gebeurtenissen vele eeuwen geleden hebben plaatsgevonden, maar we zien daar geen praktisch bewijs van, dan zal ons geloof uiteindelijk waardeloos worden en het kan best zijn dat we beginnen te twijfelen of die dingen ooit gebeurd zijn. Hazrat Mirza heeft wereld eraan herinnerd, dat de Koran belooft dat spirituele ervaringen door zullen gaan bij die moslims die de hoogste graad van rechtschapenheid bereiken. Zij krijgen een nauwe band met God door de fase de bereiken waarin Hij hen toespreekt. Hij geeft hen een dieper geloofsinzicht. Hij openbaart hen de toekomst en beantwoordt hun gebeden. Hun levens tonen aan dat God altijd met hen is. Een glimp van de levens van de profeten is in hun levens te zien. Dit dient als bewijs voor anderen dat profeten inderdaad de bovennatuurlijke feiten hebben ervaren en laten zien, die over hen zijn geschreven. In geen enkel tijdperk, voorafgaand aan die van Hazrat Mirza, was er zo'n wijdverbreide twijfel en ontkenning geweest ten aanzien van spirituele verschijnselen. De grote vorderingen van de mensheid op het gebied van wetenschap, technologie en natuurkundige ontdekking, hebben hem dusdanig doen denken, dat alles in materiële termen kon worden uitgelegd en dat spirituele zaken puur mythen zijn, geloofd door mensen in tijden van onwetendheid. De ontkenning dat er communicatie is met God leidde tot ontkenning van het bestaan van God en zo werd de feitelijke basis van religie verworpen. Hazrat Mirza heeft zijn eigen openbaringservaringen, toekomstvoorspelling en buitengewone hulp van God gepresenteerd, om te laten zien dat deze zaken realiteit en geen fictie waren. Alleen theoretisch argumenteren ten gunste van deze geloven zijn bij lange na niet doeltreffend als het leveren van een praktisch bewijs. Het is duidelijk dat Hazrat Mirza zich bezig heeft gehouden met onderwerpen over de meest elementaire en fundamentele aspecten van de religie, en niet met kleine simpele details van de religieuze wet of interpretatie. Op deze wijze heeft Hazrat Mirza bewezen dat spirituele ervaringen en verschijnselen reëel en objectief zijn. Daarmee heeft hij het grootste bezwaar en probleem ten aanzien van religie weerlegd, die in moderne tijden zijn ontstaan, namelijk, dat religieuze ervaring geen reëel bestaan heeft en dus puur mythe en verbeelding is. Hazrat Mirza heeft voorzichtigerwijs herhaaldelijk aan toegevoegd, dat het profeetschap zelf en de openbaring van religieuze leerstellingen eindigden met de Heilige Profeet Mohammed. Na de Heilige Profeet waren het alleen maar heiligen, en niet profeten, die als leidsmannen optraden. En hun openbaring is alleen bedoeld om te laten zien dat God een levende realiteit is die tot de mens spreekt. Hazrat Mirza schrijft: "De terugkeer van Jezus wordt nergens in de Heilige Koran vermeld, maar het einde van het profeetschap wordt heel duidelijk vermeld. Het is niet juist om een onderscheid te maken tussen de komst van een oude profeet (d.i. Jezus) en een nieuwe profeet. De Hadith noch de Koran maakt zo'n onderscheid. De algemene ontkenning ervan staat in het Hadith-verslag 'Er is geen profeet na mij'. Het getuigt van brutaliteit, schaamteloosheid en arrogantie om af te wijken van de duidelijke betekenis van de Koran. Dit, wanneer men zich baseert op de zwakke speculaties van iemand en bijgevolg gelooft in de komst van een profeet na de Gatam al-anbiya!" (Ajjaam as-Solh, p. 146). Hazrat Mirza is met zijn verklaring, dat er helemaal geen profeet na de Heilige Profeet Mohammed kan komen, uniek onder de moslimse oelema. Inspiratie tot actie Een unieke bijdrage die hij in dit opzicht maakte, was te bewijzen dat de islam geen behoefte heeft in wat voor wereldlijke macht of gezag dan ook ten einde te slagen, en dat de islam deze behoefte nooit heeft gehad. De islam zal met overtuigende argumenten als wapen, met de natuurlijke aantrekkingskracht en schoonheid van zijn principes, en met voorbeelden van deugdzaam karakter door zijn aanhangers, de geesten en harten van het mensdom veroveren. In naburige landen heb je het communistische systeem in elkaar zien vallen, omdat het niet de harten van de mensen heeft veroverd. Dit is als een zaak van voorbijgaande aard voorspeld door Maulana Muhammad Ali in zijn boek De Religie van de Islam, waar hij de oplossing van nationale economische problemen bespreekt. Hij schreef hierin het volgende in de jaren dertig, toen algemeen geloofd werd dat het communisme de economische onrechtvaardigheid in Rusland aan het oplossen was: "Of het (d.i. communisme) zich in Rusland een blijvende plaats heeft verzekerd is een kwestie die slechts de toekomst kan uitmaken. Maar één ding komt ons zeer vreemd voor. Het bolsjevisme, dat gekomen is om de mensen te bevrijden, brengt hen evengoed tot knechtschap als het kapitalisme. De autocratie van het Tsarendom heeft slechts plaats gemaakt voor de autocratie van de Sovjet. ... Wie weet, of zij die met de uitvoering van het (economische ontwikkelings) plan belast zijn, de staatsagenten, morgen niet kunnen ontaarden in een oligarchie, gelijksoortig aan de oligarchie van het kapitalisme? ... Het strenge stelsel van het uitdelen van de levensbehoeften aan allen gelijkelijk, aan de luie en de ijverige, de domme en de intelligente, zal ongetwijfeld tot situaties leiden, die spoedig ondraaglijk voor de mensheid zullen zijn. Want het druist tegen de natuur en de door de natuur erkende wetten in. Maar de nadelige uitwerkingen ervan kunnen niet in één dag worden gezien." (Zakaat, onder Het vraagstuk betreffende de verdeling van het vermogen). Jullie zien nu de werkelijkheid voor ogen. Tot slot, de moskee in Berlijn is een levend bewijs van het feit dat er onder de moslims een man opkwam, wonende in een achteraf dorpje in India zo'n honderd jaar geleden, die geloofde dat de islam zou worden verspreid door de kracht van zijn waarheid en zijn schoonheid, en die een hele beweging inspireerde om vooruit te lopen in dit geloof. |
|
| |
|
|
| Terug naar Hoofdmenu |
|
|