|
Geloof en
daad
De religie van de
Islam kan in het algemeen in twee gedeelten worden verdeeld: het theoretische
of wat zijn geloofsartikelen of zijn leerstukken genoemd kan worden, en het
praktische, dat alles omvat, wat van een moslim verlangd wordt te doen, d.w.z.
een praktische gedragsregel, waarnaar hij zijn leven moet inrichten. Het eerste
wordt oesoel en het laatste foeroe' genoemd. Het woord
oesoel is het meervoud van asl, dat betekent: een wortel of een
beginsel, en foeroe' is het meervoud van far', dat betekent: een tak.
Het eerste wordt ook 'aqaid (mv. van 'aqieda, letterlijk datgene
waartoe men gebonden is) of geloof genoemd, en het laatste ahkaam (mv.
van hoekm, letterlijk een bevel) of de verordeningen en voorschriften van de
Islam. Volgens Sjahrastani is het eerste ma'rifa of kennis en het
laatste ta'a of gehoorzaamheid. Kennis is dus de wortel en
gehoorzaamheid of praktijk de tak. Deze terminologie wordt door de latere
godgeleerden aangenomen; in de Heilige Koran zijn de twee verdelingen:
Imaan en 'amal. Het woord imaan, dat gewoonlijk vertaald wordt
door geloof, komt van amana (gewoonlijk vertaald door: hij geloofde),
dat tran-sitief gebruikt betekent: hij schonk (hem) vrede of veiligheid en
intransitief gebruikt: hij ging de vrede of de veiligheid in, terwijl
'amal een daad of handeling betekent. (Beide woorden worden in de
Heilige Koran heel dikwijls samen gebezigd ter aanduiding van een gelovige, en
degenen die geloven en goed doen is de veel voorkomende beschrijving van de
ware gelovigen). Daarom wordt God al-Moe'min (59:23) genoemd, dat
betekent: de Schenker van veiligheid, terwijl de gelovige ook al-moe'min
wordt genoemd, dat betekent: iemand die de vrede of de veiligheid is ingegaan,
want hij heeft de beginselen aangenomen, die zielevrede en veiligheid voor
vrees teweegbrengen. Zoals een beginsel eerst aangenomen en dan in praktijk
gebracht wordt, zo worden de geloofsartikelen de wortelen, en de verordeningen
en voorschriften, die ten uitvoer gebracht moeten worden, de takken genoemd,
want zoals de takken uit de wortels groeien, zo komt een daad uit het geloof
voort. Voor een goed begrip van de Islam dient deze betrekking tussen geloof en
daad in het oog te worden gehouden.
Imaan in de Koran
Het woord Imaan
wordt in de Heilige Koran in twee verschillende betekenissen gebezigd. Volgens
Raghib, de beroemde lexicoloog van de Koran, is imaan soms niets meer dan een
belijdenis met de mond, dat men in Mohammed gelooft. Er zijn in de Heilige
Koran veel voorbeelden van dit gebruik van het woord, zoals in 2:62:
"Waarlijk, degenen die geloven (amanoe) en degenen die Joden zijn
en de Christenen en de Sabeeërs - allen die in Allah en in de jongste dag
geloven en goed doen, zij zullen hun beloning van hun Heer hebben en er is geen
vrees voor hen, noch zullen zij treuren"; of in 4:136: "O gelovige
(amanoe)! geloof in Allah en Zijn Gezant en het Boek, dat Hij tot Zijn
Gezant heeft geopenbaard". Maar zoals Raghib verder heeft verklaard, imaan
duidt ook de toestand aan, waarin een belijdenis met de tong gepaard gaat met
een instemming van het hart (tasdiq-oen bi-l-qalb) en het in praktijk
brengen van wat men gelooft ('amal-oen bi-l-djawarih, letterlijk het
verrichten van daden met de ledematen), zoals in 57:19: "En aangaande
degenen, die in Allah en Zijn gezanten geloven, dat zijn degenen, die de
waarheidlievenden en de getrouwen van hun Heer zijn". Het woord wordt
echter ook in een van beide laatste betekenissen gebezigd, d.w.z. in de zin van
enkel instemming van het hart of het verrichten van goede daden. Voorbeelden
hiervan zijn: "De bewoners van de woestijn zeggen: Wij geloven - Zeg:
Jullie geloven niet, maar zeg: Wij onderwerpen ons; en het geloof is in uw
harten nog niet ingegaan" (49:14), waar geloof klaarblijkelijk de in het
vers zelf verklaarde instemming van het hart betekent; "En wat voor reden
hebben jullie, dat jullie niet in Allah zouden geloven, en de Gezant roept
jullie, opdat jullie in jullie Heer zullen geloven, - inderdaad heeft Hij een
verbond met jullie gesloten, - indien jullie gelovigen zijn" (57:8), waar
"in Allah zouden geloven" betekent: offers zouden brengen aan de zaak
van de waarheid, zoals het verband aantoont. Het woord imaan, zoals het in de
Heilige Koran wordt gebezigd, betekent dus of enkel een belijdenis van de
waarheid met de mond, of slechts instemming van het hart en een vaste
overtuiging van de door de Heilige Profeet gebrachte waarheid, of het
verrichten van goede daden en het in praktijk brengen van de aangenomen
beginselen, of het kan al deze drie betekenissen tezamen hebben. Gewoonlijk
wordt het echter gebezigd ter aanduiding van een instemming van het hart -
gepaard met een belijdenis van de mond natuurlijk - met hetgeen de profeten van
God brengen, ter onderscheiding van het verrichten van goede daden, en daarom
wordt er van de rechtschapenen, gelijk reeds is opgemerkt, gesproken als
degenen die geloven en goed doen.
Imaan in de Hadies
In de hadies wordt
het woord imaan dikwijls in zijn ruimere betekenis gebezigd, d.w.z. als in zich
goede daden omvattende, en soms enkel in de zin van goede daden. Zo zou de
Heilige Profeet hebben gezegd: "imaan (geloof) heeft meer dan
zestig takken en zedigheid (haya) is een tak van het geloof"
(Al-Sahih al-Bukhari 2:3). In een andere hadies zijn de woorden:
"Imaan heeft meer dan zeventig takken, waarvan de hoogste is (het geloof),
dat niets waardig is aanbeden te worden behalve Allah (La iIaha
ill-Allah) en waarvan de laagste is, het uit de weg ruimen van datgene, wat
iemand letsel kan veroorzaken" (Al-Sahih al-Muslim 1:12). In een
zekere hadies staat: "De liefde van de Ansaar { 1
}is een teken van geloof" (Bukhari 2:10). In een andere lezen wij:
"Iemand heeft geen geloof, tenzij hij voor zijn broeder datgene liefheeft,
wat hij voor zichzelf liefheeft" (Bukhari 2:7). En een derde zegt:
"Iemand van jullie heeft geen geloof, tenzij hij een groter liefde voor
mij heeft dan voor zijn vader en zijn zoon en al de mensen" (Bukhari 2:8).
Het woord imaan wordt dus op alle goede daden toegepast, en Bukhari heeft als
titel van een van zijn hoofdstukken in de Kitaab al-imaan (boek 2):
"Hij die zegt: imaan is niets anders dan goed doen", tot staving
waarvan hij Koranverzen aanhaalt. Hij betoogt aan de hand van verzen, die het
over vermeerderen van het geloof heeft, dat goede daden een deel van het geloof
zijn, want anders zou er van het geloof niet op die wijze gesproken kunnen
zijn.
Koefr of ongeloof
Zoals imaan het aannemen van de door de Profeet gebrachte
waarheid is, zo is koefr het verwerpen ervan. En zoals het in de praktijk
aannemen van de waarheid of het verrichten van een goede daad imaan of een deel
van imaan wordt genoemd, zo wordt het in de praktijk verwerpen van de waarheid
of het verrichten van een slechte daad koefr of een deel van
koefr genoemd. De titel van een hoofdstuk in de Bukhari luidt als volgt:
"Ma'asi (handelingen van ongehoorzaamheid) behoren tot de zaken van
de djahiliyya" (Bukhari 2:22). Nu betekent djahiliyya
(letterlijk onwetendheid) in de terminologie van de Islam de "tijd van de
onwetendheid" vóór de komst van de Heilige Profeet en is dus
synoniem met koefr of ongeloof. Tot staving hiervan wordt een overlevering
aangaande Abu Dharr aangehaald, die zei, dat hij iemand beschimpte, d.w.z. hem
aansprak met "zoon van een negerin", waarover de Heilige Profeet
opmerkte: "Abu Dharr! jij vit op hem wegens zijn moeder; waarlijk, je bent
iemand in wie djahiliyya is" (Bukhari 2:22). De blote handeling van
op iemand te vitten wegens zijn neger-afkomst wordt dus djahiliyya of
koefr genoemd. Volgens een andere hadies heeft de Profeet zijn metgezellen in
de volgende bewoordingen gewaarschuwd: "Wacht! wordt geen ongelovige
(koeffaar, mv. van kafir) na mij, zodat sommigen van jullie
anderen de halzen afslaan" (Bukhari 25:132). Hier wordt het doden van
moslims door moslims veroordeeld als een daad van ongeloof. In een andere
hadies staat "Een moslim beschimpen is een overtreding en tegen hem
strijden is ongeloof (koefr)" (Bukhari 2:36) Ondanks het feit, dat
in deze hadies de onderlinge strijd van de moslims koefr wordt genoemd -
en zij, die onderling strijden, worden zelfs kafir's genoemd -, spreekt
de Heilige Koran van twee groepen van moslims, die tegen elkaar strijden, toch
als gelovigen (moe'minien) (49:9) { 2 }.
Het is dus duidelijk, dat zulk een handeling een daad van ongeloof
(koefr) genoemd wordt enkel als zijnde een daad van ongehoorzaamheid.
Dit punt is verklaard door Ibn Athir in zijn welbekend woordenboek van hadies,
de Nihaya. Terwijl hij over het woord koefr schrijft, zegt hij:
"Er zijn twee soorten van koefr (ongeloof): de ene is een
loochening van het geloof zelf, en dat is het tegendeel van geloof; en de
andere is de loochening van een far' (tak) van de foeroe' van de
Islam, en op grond daarvan treedt men niet uit het geloof zelf". Zoals
reeds is aangetoond, de foeroe' van de Islam zijn zijn voorschriften, en
dus is het in de praktijk verwerpen van een voorschrift van de Islam - terwijl
het koefr wordt genoemd - geen koefr in de technische zin van het
woord, d.w.z. een loochening van de Islam zelf. Hij gewaagt ook van een
voorval, dat deze kwestie toelicht. Men vroeg Azhari, of iemand (d.w.z. een
moslim) een kafir (ongelovige) werd, enkel omdat hij een zekere mening
er op na hield, en hij antwoordde, dat zo'n mening koefr (ongeloof) was.
En toen men er verder bij hem op aandrong, voegde hij er aan toe: "De
moslim maakt zich soms schuldig aan koefr (ongeloof)". Het is dus
duidelijk, dat een moslim een moslim blijft, al maakt hij zich ook schuldig aan
een daad van ongeloof (koefr).
Een moslim kan geen kafir genoemd worden
In de paragraaf
hiervoor is duidelijk aangetoond, dat een moslim eigenlijk geen kafir
genoemd kan worden. Daar elke slechte handeling of daad van ongehoorzaamheid
een deel van koefr is, kan zelfs een moslim een daad van ongeloof
begaan. En het tegendeel is even waar, nl. dat zelfs een ongelovige een daad
van geloof kan verrichten, aangezien elke goede daad een deel van het geloof
is. Daar zit niets paradoxaals in. De scheidingslijn tussen een moslim en een
kafir, of tussen een gelovige en een ongelovige, is een verklaring van
geloof in de Eenheid Gods en het profeetschap van Mohammed - La ilaha
ill-Allah Moehammed-oen Rasoeloe-llah. Een persoon wordt een moslim of een
gelovige door een verklaring af te leggen omtrent zijn geloof in de Eenheid
Gods en het profeetschap van Mohammed. Zolang hij zijn geloof daarin niet
verzaakt, blijft hij in technische zin een moslim of een gelovige, welke mening
hij ook er op na houdt over een godsdienstzaak, welke dan ook, of welk kwaad
hij ook begaan heeft. Een persoon die die verklaring niet aflegt, is technisch
een niet-moslim of een ongelovige welke goede daad hij ook verricht. Dat wil
niet zeggen, dat de moslim voor zijn slechte daden niet gestraft wordt, of dat
de goede daden van de niet-moslim niet beloond worden. De wet van de vergelding
van goed en kwaad is een wet op zich, die van kracht blijft onafhankelijk van
het geloof, en de Heilige Koran drukt het in zeer duidelijke woorden uit:
"Dus wie het goede heeft gedaan ter zwaarte van een atoom, zal het zien;
en wie het kwade heeft gedaan ter zwaarte van een atoom, zal het zien"
(99:7,8). Een gelovige kan het kwade doen en een ongelovige kan het goede doen,
en ieder zal vergolden worden, wat hij doet. Maar niemand heeft het recht om
iemand uit de broederschap van de Islam te bannen, zolang hij de Eenheid Gods
en het profeetschap van Mohammed belijdt. De Koran en de hadies laten, wat dat
betreft, niet de minste twijfel over bestaan. Zo lezen wij in de Heilige Koran:
"En zegt niet tot iemand die jullie een groet brengt: Je bent geen
gelovige" (4:94). De Islamitische groet, al-salamoe 'alai-koem of
vrede zij over jou, wordt dus beschouwd als een genoegzame aanduiding, dat de
persoon die haar brengt, een moslim is, en niemand heeft het recht tegen hem te
zeggen, dat hij geen gelovige is, ook al is hij nog zo onoprecht. De Heilige
Koran heeft het over twee groepen van moslims, die tegen elkaar strijden en
toch spreekt hij van beide als moe' min: "En indien twee partijen
van de gelovigen (moe'minien) tegen elkaar strijden, brengt dan
verzoening tussen haar beide tot stand" (49:9). Hij zegt dan verder:
"De gelovigen zijn slechts broeders; derhalve, brengt verzoening tussen
jullie broeders tot stand" (49:10). Zelfs degenen, die als huichelaars
bekend stonden, werden door de Heilige Profeet en zijn metgezellen als moslims
behandeld, al weigerden zij ook deel te nemen aan de strijd, die de moslims
moesten aanbinden ter zelfverdediging. En toen de vermeende leider van deze
huichelaars, de befaamde 'Abd-Allah ibn Ubayy stierf, zond de Heilige Profeet
lijkgebeden op bij zijn graf en behandelde hem als een moslim. Ook de hadies
laat, wat dat betreft, niet de minste twijfel over bestaan. De Heilige Profeet
zou volgens een hadies hebben gezegd: "Een ieder die gebeden doet, zoals
wij dat doen en zijn gelaat wendt tot onze Qibla en het door ons
geslachte dier eet, is een moslim, voor wie het verbond van Allah en Zijn
Gezant is; derhalve, schendt Allah's verbond niet" (Bukhari 8:28). Volgens
een andere hadies zou hij hebben gezegd: "Drie dingen zijn de grondslag
van het geloof: zich afhouden van degene, die zijn geloof verklaart in la
ilaha ill-Allah, je zal hem geen kafir noemen om welke zonde dan ook
en hem ook niet uit de Islam bannen om welke daad dan ook . . . (Abu
Dawud 15:33). En volgens een derde hadies, overgeleverd door Ibn 'Umar, zei
hij: "Wie het volk van la ilaha ill-Allah een kafir noemt is
zelf nader bij koefr" (Tb.). Met het volk van la ilaha ill-Allah of
de voorstanders van de Eenheid worden klaarblijkelijk de moslims bedoeld, en er
wordt zeer duidelijk aangetoond, dat degene die de Kalima aflegt, dat er
geen god is dan Allah en dat Mohammed Zijn Gezant is, een moslim wordt en dat
hem een kafir te noemen de grootste zonde is. Het is duidelijk, dat het
lidmaatschap van de Islamitische broederschap iets is, dat niet beoordeeld moet
worden door deze of gene grote godgeleerde, goed bedreven in logische
spitsvondigheden, maar veeleer door de gewone man, door de verstandige man, of
zelfs door de ongeletterde, die over een ander kan oordelen naar diens
uiterlijk alleen, die zelfs met een groet naar de Islamitische trant tevreden
is, die geen nader bewijs verlangt, als hij iemand zijn gelaat naar de
Qibla ziet wenden, en voor wie Islam betekent: belijdenis van de Eenheid
Gods en het profeetschap van Mohammed. Een leerstuk, dat zo duidelijk en zo
krachtig in de Heilige Koran en de hadies geleerd wordt, heeft de steun van de
grote en geleerde mensen onder de moslims niet nodig, maar ondanks de
scheuringen en verschillen, die naderhand ontstonden en ondanks de talloze
ingewikkeldheden, die de logische spitsvondigheden van latere godgeleerden in
het eenvoudige geloof van de Islam invoerden, wordt bovengemeld beginsel door
alle autoriteiten op het gebied van de Islam voorgestaan. Zo somt de schrijver
van de Mawaqif de gevoelens van moslimse godgeleerden in de volgende
bewoordingen op: "De meerderheid van de godgeleerden en rechtsgeleerden is
het erover eens, dat niemand van de Ahl Qibla (mensen, die de Ka'ba tot
qibla aannemen) een kafir genoemd kan worden" (Al
Mawafiq, blz. 600). En de beroemde Abu-l-Hasan Asj'ari schrijft reeds in
het begin van zijn boek, Maqalat al-Islamiyyien wa ichtilafat
al-Moesallien (d.w.z. Wat de moslims zeggen en de verschillen van
degenen, die bidden): "Na de dood van hun Profeet kregen de moslims
omtrent vele punten onenigheid; sommigen van hen noemden anderen dall
(het afdwalen van het rechte pad) en sommigen vermeden anderen, zodat zij
volkomen van elkaar gescheiden sekten en verspreide groepen werden, maar de
Islam verenigt hen allen en omvat hen allen in zijn gebied" (Maqalat al
Islamiyyien, blz. 1 v.). Ook Tahawi zou hebben gezegd: "Niets kan een
persoon uit de imaan drijven; behalve de loochening van hetgeen hem haar doet
ingaan" (Rd. III, blz. 310). Evenzo zegt Ahmad ibn al-Mustafi, dat slechts
kwezelachtige personen elkaar kafirs noemen, want, voegt hij er aan toe:
"Betrouwbare Imaam's uit de Hanafieten en de Sjafi'ieten en de Malikieten
en de Hanbalieten en de Asj'arieten zijn van oordeel, dat niemand van de Ahl
Qibla een kafir genoemd kan worden" (Miftah al Sa'ada I,
blz. 46). Inderdaad waren het de Chwaridjieten, die het eerst verdeeldheid of
sektegeest in de Islam invoerden, door hun moslimse broeders kafirs te
noemen, enkel omdat zij het met hun gevoelens oneens waren.
Imaan en Islam
De juiste betekenis
en het juiste gebruik van de woorden imaan en lslam hebben wij
reeds verklaard. Het woord Imaan betekent oorspronkelijk: overtuiging van
het hart, terwijl het woord Islam oorspronkelijk betekent:
onderwerping en dus in de eerste plaats betrekking heeft op de daad. Dit
verschil in oorspronkelijke betekenis komt in de Koran zowel als in de hadies
tot uitdrukking, maar in het dagelijks gebruik drukken zij dezelfde betekenis
uit, en moe'min en moslim worden gewoonlijk door elkaar gebezigd.
Een voorbeeld van het onderscheid in het gebruik daarvan in de Heilige Koran
geeft 49:14: "De bewoners van de woestijn zeggen: Wij geloven
(amanna, van Imaan).- Zeg: Jullie geloven niet, maar zeg: Wij
onderwerpen ons (aslamna, van islam); en het geloof is in uw
harten nog niet ingegaan; en indien jullie Allah en Zijn Gezant gehoorzamen,
zal Hij niets van jullie werken afdoen; waarlijk, Allah is Vergevensgezind,
Genadig". Daarmee is natuurlijk niet gezegd, dat zij niet in het
profeetschap van Mohammed geloofden. De betekenis van het ingaan van het geloof
in het hart wordt duidelijk aangetoond in het onmiddellijk daarop volgende
vers: "De gelovigen zijn slechts degenen, die in Allah en Zijn Gezant
geloven, en vervolgens niet twijfelen en hard met hun bezittingen en hun leven
langs Allah's weg strijden; zij zijn de waarheidlievenden" (49:15).
Inderdaad worden beide woorden imaan en Islam gebezigd ter
aanduiding van twee verschillende stadia van de geestelijke ontwikkeling van de
mens. Men zegt, dat een persoon geloofde (amana), wanneer hij enkel zijn
geloof in de Eenheid Gods en het profeetschap van Mohammed verklaart, wat
inderdaad het eerste stadium van geloof is, want slechts met te verklaren, dat
men een beginsel aanneemt, begint men. En men zegt ook, dat een persoon
geloofde (amana), wanneer hij de beginselen, waarin hij zijn geloof
verklaard heeft, in hun volle omvang in praktijk brengt. Voorbeelden van het
gebruik in deze beide betekenissen hebben wij reeds gegeven; voorbeelden van
het eerste zijn 2:62, 4:136; een voorbeeld van het laatste (49:15) hebben wij
zojuist hierboven aangehaald. Het enige verschil is, dat geloof of imaan in de
eerste betekenis gebruikt, in zijn eerste stadium een belijdenis is met de mond
- een verklaring van geloof in het beginsel; en dat in de tweede betekenis
Imaan vervolmaakt is en het laatste stadium van het geloof aanduidt - dat dus
de diepten van het hart is ingegaan en de gewenste verandering heeft
teweeggebracht. Hetzelfde is het geval met het gebruik van het woord Islam; in
zijn eerste stadium is het enkel een bereidwilligheid om zich te onderwerpen,
zoals in het boven aangehaalde vers (49:14); in zijn laatste stadium is het een
volkomen onderwerping, zoals in 2:112: "Ja, wie zich geheel aan Allah
onderwerpt (aslama) en de weldoener is (van anderen), heeft zijn
beloning van zijn Heer, en er is geen vrees voor hen, noch zullen zij
treuren". Zowel imaan als Islam zijn in haar eerste en laatste stadium dus
dezelfde - van een blote verklaring heeft zij zich tot volkomenheid ontwikkeld
en doorlopen zij al de tussenliggende stadia. Zij hebben beide een uitgangspunt
en een doel; en de persoon die zich op het uitgangspunt bevindt, hij die nog
maar een beginneling is, en de persoon die het doel heeft bereikt, worden
beide, ondanks alle verschil tussen hen, moe'min of moslim genoemd,
evenals ook degenen die onderweg zijn, op verschillende etappen van de
reis.
Geen dogma's in de Islam
Bovenstaande
bespreking brengt ons tot de conclusie, dat er in de Islam geen dogma's zijn,
geen geloof zonder meer, de mens opgedrongen voor zijn zogenaamde zaligmaking.
Geloof is volgens de Islam niet slechts een overtuiging van de waarheid van een
gegeven stelling maar is in wezen het aannemen van een stelling als grondslag
voor een daad. De Koran staat deze gedachte bepaaldelijk voor, want terwijl
volgens hem de stelling betreffende het bestaan van duivels even waar is als
die betreffende het bestaan van engelen, wordt geloof in engelen herhaalde
malen vermeld als een deel van het geloof van een moslim, terwijl ongeloof in
duivels even duidelijk als noodzakelijk wordt vermeld: "Daarom, wie niet
gelooft (yakfoer) in de duivel en gelooft (yoe'min) in Allah,
heeft inderdaad het hechtste handvat vastgegrepen" (2:256). De woorden,
die hier gebezigd zijn voor geloven in God en niet geloven in duivels zijn
respectievelijk imaan en koefr. Indien imaan niets anders dan
geloof in het bestaan van een ding betekende en koefr het loochenen van
het bestaan van een ding, dan zou ongeloof in duivels niet als noodzakelijk in
verband met geloof in God vermeld kunnen zijn. God bestaat, de engelen bestaan,
de duivel bestaat; maar terwijl wij in God en Zijn engelen moeten geloven,
moeten we niet in de duivel geloven. Dat komt, doordat de engel volgens de
Koran het wezen is, dat het doen van goed ingeeft en de duivel het wezen is,
dat het doen van kwaad inblaast, zodat geloof in engelen in werkelijkheid
betekent: het handelen volgens de ingevingen om het goede te doen en ongeloof
in de duivel: het weigeren om boze gedachten te koesteren. Imaan (geloof)
betekent dus in werkelijkheid: het aannemen van een beginsel als grondslag voor
een daad, en elk leerstuk van de Islam beantwoordt aan deze beschrijving. Er
zijn geen dogma's, geen mysteriëën, geen geloof, dat geen daad
vereist; want elk geloofsartikel is een beginsel, dat in praktijk moet worden
gebracht tot hogere ontwikkeling van de mens.
Beginselen van het geloof
De gehele religie
van de Islam wordt kort opgesomd in de twee korte zinnen: La ilaha
ill-Allah, d.w.z. er is geen god dan Allah, of niets verdient tot voorwerp
van liefde en aanbidding gemaakt te worden behalve Allah, Moehammed-oen
Rasoeloe-llah, d.w.z. Mohammed is de Gezant van Allah. Enkel door van de
waarheid van deze beide eenvoudige stellingen getuigenis af te leggen treedt
men in de schoot van de Islam. Deze beide samenstellende delen van het
eenvoudige geloof van de Islam komen in de Heilige Koran niet samen voor, zoals
in de aan-genomen geloofsbelijdenis. Het eerste deel van de geloofsbelijdenis
is het onderwerp, dat de Heilige Koran voortdurend en onveranderlijk behandelt,
en een geloof in de Eenheid Gods, in het feit dat er geen god is dan Allah,
wordt herhaalde malen vermeld als het grondbeginsel, niet alleen van de Islam,
maar ook van elke godsdienst, die door God is geopenbaard. Het neemt
verschillende vormen aan: "Hebben zij een god naast Allah?"
"Hebben zij een god buiten Allah?" "Er is geen god dan
Allah"; "Er is geen god dan Hij"; "Er is geen god dan
U"; "Er is geen god dan Ik". Het tweede deel van de
geloofsbelijdenis, Moehammed-oen Rasoeloe-llah, grondt zich op het
gezantschap van de Heilige Profeet Mohammed, eveneens een onderwerp, dat de
Heilige Koran voortdurend en onveranderlijk behandelt. Dezelfde woorden komen
voor in 48:29. Uit de hadies blijkt, dat het aannemen van deze beide
samenstellende delen van de geloofsbelijdenis een noodzakelijk te vervullen
voorwaarde is van het aannemen van de Islam (Bukhari 2:40). Het bovenstaande
wordt in de terminologie van de latere godgeleerden imaan moedjmal of
een korte verklaring van geloof genoemd, terwijl de gedetailleerde verklaring
van geloof, die de latere godgeleerden moefassal noemen, reeds in het begin van
de Heilige Koran als volgt wordt vermeld: geloof in de Ongeziene (d.w.z. God),
geloof in hetgeen tot de heilige profeet Mohammed werd geopenbaard en in
hetgeen tot de profeten vóór hem werd geopenbaard en geloof in
het leven hiernamaals (2:2-4). Verderop worden in hetzelfde hoofdstuk vijf
geloofsbeginselen duidelijk vermeld: "Dat men gelooft in Allah en de
jongste dag en de engelen en het boek en de profeten" (2:177). De Heilige
Koran toont herhaalde malen duidelijk aan, dat slechts geloof ten aanzien van
deze vijf beginselen vereist wordt. In de hadies is een kleine afwijking.
Buchari zegt aldus: "Dat je gelooft in Allah en Zijn engelen en in de
ontmoeting met Hem en Zijn Gezanten en dat je gelooft in het leven
hiernamaals" (Bukhari 2:37). Merk op, dat geloof in de ontmoeting met God
hier afzonderlijk wordt vermeld, en terwijl dat in de Heilige Koran, in het
bovenaangehaalde vers, in het geloof in God vervat is, wordt het ook op vele
plaatsen afzonderlijk vermeld, waarover zie 13:2, enz. Verder wordt in de
hadies "het boek" niet afzonderlijk vermeld en is het vervat in het
woord "Gezanten". De grondslag van het geloof rust volgens de Heilige
Koran en de hadies dus op vijf beginselen: God, Zijn Engelen, Zijn Profeten,
Zijn Boeken en het Leven hiernamaals. Maar in sommige hadies' worden de
volgende woorden bijgevoegd: "Dat je gelooft in qadar (letterl.
de maat)". Het lijdt geen twijfel, dat qadar in de Heilige
Koran als een wet van God wordt vermeld, maar nooit als een geloofsartikel, en
al de goddelijke wetten worden door ieder moslim als waar aangenomen.
Betekenis van geloof
Zoals ik reeds zei,
alle geloofsartikelen zijn in werkelijkheid beginselen van de daad. Allah is
het Wezen, Dat alle volmaakte attributen heeft, en wanneer van een persoon
geëist wordt, dat hij in Allah gelooft, dan wordt in werkelijkheid van hem
geëist, dat hij zich tot bezitter maakt van de hoogste zedelijke
eigenschappen, daar zijn doel is de goddelijke attributen te bereiken. Hij moet
zich het hoogste en zuiverste ideaal voor ogen stellen, dat men zich indenken
kan en zijn gedrag naar dat ideaal inrichten. Geloof in de engelen betekent,
dat de gelovige de goede aandriften moet volgen, die hem van nature eigen zijn,
want de engel is het wezen, dat een goede aandrift in werking stelt. Geloof in
de boeken Gods wil zeggen, dat wij de daarin begrepen voorschriften tot
ontwikkeling van onze innerlijke vermogens moeten volgen. Geloof in gezanten
betekent, dat wij aan deze edele personen een voorbeeld moeten nemen en evenals
zij ons leven moeten opofferen voor de mensheid. Geloof in het leven
hiernamaals of de jongste dag zegt ons, dat lichamelijke en stoffelijke
vooruitgang het doel van het leven niet is, maar dat zijn ware doel oneindig
hoger is, waarvan de Opstanding of de Jongste dag slechts het begin is.
{ 1 }. De inwoners van Madina, die de Profeet
bij gelegenheid van zijn vlucht naar die stad hielpen, worden Ansaar genoemd,
welk woord het meervoud is van nasir, d.w.z. een helper.
{ 2 }. "En indien twee partijen van de
gelovigen tegen elkaar strijden, breng dan verzoening tussen haar beide tot
stand; maar indien een van haar onrechtvaardig tegen de andere handelt,
bestrijd dan die, welke onrechtvaardig handelt tot zij tot Allah's gebod
terugkeert" (49:9).
|
|