|
|
Moe`ârif
oel-Qoer'ân
Lessen in de Koran – 1
Al-Fâtihah
|
|||||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||||
|
Door N.A.
Faruqui Vertaald
door R. Ghafoerkhan Copyright: Stichting Ahmadiyya Isha’at-i-Islam |
Laten wij beginnen: “In de
naam van Allâh, de Weldadige, de Genadige.” (Bismi-llâhi-r-Rahmâni-r-Rahîm). Op één na staat dit vers aan het
begin van ieder hoofdstuk van de Heilige Qur'ân. Het wordt niet numeriek
ingesloten in het totaal van de verzen van ieder hoofdstuk, omdat het op
zichzelf een complete tekst bevat. Het wordt aan het begin van ieder
hoofdstuk geplaatst, net zoals een keizerlijke aankondiging, die het zegel van
de keizer vertoont, dat zijn naam en titel weergeeft. Het is vereist dat een
boek de naam van zijn schrijver op zijn titelblad heeft. Op gelijke wijze
dient de eerste daad van enig geopenbaard geschrift te zijn, dat het ons de
identiteit geeft van wie het heeft geopenbaard. De Heilige Qur'ân is het
enige geschrift waar in het begin wordt verklaard dat het door Allâh is
geopenbaard. Aldus wordt in de Heilige Qur'ân aangekondigd: “Bismi-llâhi-r-Rahmâni-r-Rahîm”,
In de naam van Allâh, de Weldadige, de Genadige. Dit geeft aan dat dit Boek
van het Wezen afkomstig is, Wiens naam Allâh is, en Die Al-Rahmân
(de Weldadige) en Al-Rahîm (de Genadige) is. Allâh is de
geëigende naam, hetgeen betekent ‘Degene Die Volmaakt is in
voortreffelijkheid en goedheid’. Met Zijn voortreffelijkheid wordt bedoeld
Zijn attributen, die hun volmaaktheid hebben bereikt in Zijn Wezen. Dit wordt
verder gesteld in het eerste hoofdstuk (Sűrat al-Fâtihah) als:
“Alle lof komt toe aan Allâh, de Heer der werelden (Rabb – Degene Die
alles tot volmaaktheid brengt)”. Met ‘volmaaktheid van goedheid’ in de naam
van Allâh wordt bedoeld, dat het niet beperkt is tot Zijn Eigen Persoon, maar
dat het Zijn schepping iedere moment ten goede komt. Indien bijvoorbeeld
iemand kennis bezit of rijkdom, maar zijn weldaad tot zijn eigen persoon is
beperkt en het niet bijdraagt aan het welzijn van anderen, dan is dit
attribuut onvolkomen. De goedheid van Allâh gemanifesteerd door Zijn
attributen van:
voorziet de hele schepping van
weldaden op ieder moment op deze wereld en in het Hiernamaals. Er zijn talloze attributen van
Allâh; ik zal nu uitwijden over de redenen waarom de twee attributen van Al-Rahmân
(de Weldadige) en Al-Rahîm (de Genadige) hier worden vermeld.
Laten wij eerst de betekenis van Al-Rahmân en Al-Rahîm
begrijpen. Deze beide woorden zijn afgeleid van het wortelwoord rahmah,
welke duidt op tederheid die uitoefening van weldadigheid vereist. Al-Rahmân
en Al-Rahîm zijn beide actieve deelwoorden van verschillende
afgeleiden die duiden op een intensiteit van betekenis. Al-Rahmân
is van de vorm fa`lân in het Arabisch en duidt op de grootste
overwicht van de kwaliteit van genade. Met andere woorden, genade is zo
overheersend aanwezig in Allâh, dat Hij het gehele universum en zijn wonderen
heeft geschapen. In feite heeft Hij de bestaansmiddelen voor Zijn hele schepping geschapen, het
leidende naar zijn doel van bestaan, en de middelen om dit doel te bereiken. Rahîm
is van de vorm fa`îl in het Arabisch als een uitdrukking van de
constante herhaling en manifestatie van het attribuut; Allâh’s genade
ondergaat dus een constante herhaling. Wanneer men op juiste wijze gebruik maakt
van de middelen die Allâh ons gegeven heeft uit Zijn weldadigheid, dan vloeit
Zijn genade overvloedig en resulteert het keer op keer in een voortreffelijke
beloning voor onze inspanningen. Ik zal verder de betekenissen
van Al-Rahmân en Al-Rahîm uitleggen in het
commentaar van het eerste hoofdstuk Al-Fâtihah. Op dit moment
zou ik graag op de bijzondere reden willen wijzen waarom de attributen van Al-Rahmân
en Al-Rahîm juist aan het begin van de Heilige Qur'ân zijn
vermeld. Het is omdat Allâh de mensheid gezegend heeft met iets, waarmee Hij
niets van zijn andere schepselen heeft gezegend, en dat is de geest (Rűh),
hetgeen de Heilige Qur'ân verderop vermeldt als: “Toen Ik
hem derhalve volkomen heb gemaakt, en in hem Mijn geest heb geblazen.”
(15:29) Deze stoffelijke wereld met
alles wat daarop is, inclusief het menselijk lichaam, zal op een dag ophouden
te bestaan, en wat overblijft is de menselijke geest die Allâh aan de mens
heeft gegeven. Deze geest deelt, wanneer het in het lichaam is, alle
omstandigheden, goede en slechte daden, die door het lichamen worden ervaren,
en vormt een persoonlijkheid op zichzelf, hetgeen de nafs (ziel) wordt
genoemd. Door de Heilige Qur'ân. Deze nafs (ziel) worden ten tijde van
de dood weggenomen en gaat de wereld Hiernamaals binnen om voor altijd te
bestaan. Wat, kan men zich afvragen, is het Goddelijke programma van het
koesteren, hervormen, beschermen, en de realisatie van het doel waarvoor dit
kostbare entiteit was geschonken? De mens is niet in staat zijn geest te
zien, hoewel, hoewel er wel een bewustzijn van zijn bestaan is. Waar gaat
deze geest nadat het het lichaam verlaat ten tijde van de dood? Wat is de
aard van die spirituele kosmos, en de omstandigheden die het ontmoet? Ons
lichamelijk bestaan eindigt hier, maar de geest moet voor altijd blijven
bestaan, wat moet men doen voor zijn gezondheid en groei om het doel te
realiseren waarvoor het is gegeven? Hoe heeft Allâh’s attribuut van
weldadigheid deze urgente en hoogst essentiële behoefte vervuld? De Heilige
Qur'ân stelt: “De
Weldadige, heeft de Qur'ân onderwezen.” (55:1-2) erop wijzende dat teneinde deze
hoogst voortreffelijke kennis te geven, de weldadigheid van Allâh met de
Heilige Qur'ân de volle voorziening heeft gegeven. Wanneer een persoon door
het gebruik van deze kennis hiernaar handelt, dan is Hij volgens de Heilige
Qur'ân “Genadig tegenover de gelovigen” (33:43). Dat wil zeggen, tegenover
degenen die geloven en handelen volgens de Heilige Qur'ân is Allâh veelvuldig
wendend tot genade, en beloont Hij de mens met die schone zedelijke en
spirituele zegeningen, die de giften van het paradijs worden genoemd. Het
wordt dus duidelijk hoe schitterend en diepzinnig betekenisvol het vers Bismi-llâhi-r-Rahmâni-r-Rahîm
is aan het begin van de Heilige Qur'ân. Een van de betekenissen van de
letter ba in Bismi-llâh is “de hulp zoeken van”. Degene die de
Heilige Qur'ân leest, wordt dus onderwezen om de hulp van Allâh te vragen,
Wiens weldadigheid ons een zegening heeft geschonken als de Heilige Qur'ân.
Wij smeken om Zijn genade, opdat Hij ons alle zegeningen moge geven,
spiritueel, moreel, wereldlijk, en die met betrekking tot het Hiernamaals, en
ons moge belonen met Zijn welbehagen en tevredenheid, hetgeen alleen bereikt
kan worden door het volgen van de Heilige Qur'ân. Dit omvat ook het gebed dat
de Weldadige, die ons de Heilige Qur'ân heeft gegeven, afsmeekt om alle
omstandigheden en voorwaarden te scheppen die bevorderlijk zijn voor onze
bevredigende voltooiing van zijn studie. Dit omvat ook een gezond lichaam,
een geest die vrij is van zorgen en neigend naar de Heilige Qur'ân. Ook wordt
de aandacht van de geest verlangd en een neiging naar gehoorzaamheid, en
afwezigheid van enige omstandigheid die de rust en vrede van de lezer zou
kunnen verstoren. Het zich beroepen op Allâh’s
attribuut van genade houdt verband met de smeekbede tot Degene die oneindige
goedheid bezit, zodat Zijn genade iemands geest opent naar Goddelijke
;leiding en complete onderwerping. Het beveiligt ook de menselijke
inspanningen zodat zij niet verspild raken, en beschermt hem tegen de
verleidingen en de influisteringen van de duivel. Behalve bij het aanvangen
van de recitatie van de Heilige Qur'ân, heeft de Heilige Profeet (vrede en
zegeningen van Allâh zij met hem) de Muslims aangespoord om Bismi-llâhi-r-Rahmâni-r-Rahîm
aan het begin van iedere taak te zeggen met de woorden: “Iedere
taak die niet begonnen wordt met de recitatie van Bismi-llâhi-r-Rahmâni-r-Rahîm,
is verstoken van zegeningen.” Wanneer een persoon het dus op
deze wijze reciteert, smeekt hij Allâh voor Zijn weldadigheid om op voorhand
iedere taak volbracht en voltooid te laten worden, en om Zich met Zijn genade
tot de smekende te wenden. Wanneer Zijn eigenschap van genade aldus wordt
aangeroepen, beloont het de menselijke pogingen met resultaten, waartoe
alleen Hij in staat is deze te schenken. Het is opmerkelijk dat de
Heilige Profeet het woord ‘zegeningen’ heeft gebruikt in zijn bovenstaande
uitspraak. Het Arabische woord voor zegening is barkat, wat ‘goedheid
dat voor altijd voortduurt’ betekent. Een persoon die Bismi-llâhi-r-Rahmâni-r-Rahîm
opzegt bij elke onderneming van hem, draagt het, door het aanroepen van de
naam van Allâh, op aan Allâh. Indien hij dan succes of mislukking ontmoet in
het volbrengen daarvan, wordt hij toch door Allâh beloond voor zijn
inspanningen. De beloningen van deze wereld zijn, uiteraard, tijdelijk; voor
degene wiens werken voor Allâh zijn, de werkelijke bonus zal in het
Hiernamaals zijn, welke eeuwigdurend is. Door het bevelen van het
opzeggen van Bismi-llâhi-r-Rahmâni-r-Rahîm, wordt ook een grote
hervorming van de mens gewenst. Een persoon die voordat hij een taak begint,
met aandacht en begrip ‘In naam van Allâh, de Weldadige, de Genadige’ opzegt,
zal zich onthouden van elke daad die kwaad of onaangenaam in de ogen van
Allâh is. Dit is taqwâ (zich onthouden van het kwaad, vervullen van de
plichten), hetgeen herhaaldelijk in de Heilige Qur'ân en de Hadith wordt
vermeld. |