|
|
Moe`ârif
oel-Qoer'ân
Lessen in de Koran – 3
Al-Fâtihah
|
|||||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||||
|
Door N.A.
Faruqui Vertaald
door R. Ghafoerkhan Copyright: Stichting Ahmadiyya Isha’at-i-Islam |
Onomstotelijk bewijs van het Goddelijk bestaan. Ik heb in mijn vorige les vermeld dat het bestaan van het
Goddelijk Wezen de essentiële grondslag is van een geopenbaarde godsdienst of
zijn geschrift. Als er geen God is, zoals dit wordt verkondigd door de
tegenwoordige Marxistische en materialistische filosofieën, dan kan de
aanspraak van enige religie of boek geopenbaard te zijn door het Goddelijk
Wezen voor de leiding van de mensheid, geen geldigheid hebben. Ik heb er ook op gewezen dat
honderdenvierentwintigduizend profeten en een veel groter aantal rechtschapen
dienaren van Allâh hiervan getuigen. De waarheidlievendheid en eerlijkheid
van deze individuen werd algemeen geaccepteerd, en zij offerden alles op wat
zij hadden op de weg van Allâh. Zij zagen grote moeilijkheden onder ogen en
zij riskeerden hun levens voor Zijn zaak. Op zijn beurt manifesteerde God dit
onomstotelijke bewijs van Zijn bestaan in hun levens: hun missies, die onmogelijk werden geacht, gingen met
de Goddelijke bijstand in vervulling. Aan hen werd ook het bericht van hun
succes gegeven ten tijde van complete hopeloosheid, en deze verkondiging werd
openbaar gemaakt. Degenen die hen volgden met complete gehoorzaamheid, vonden
ook God. Ontwikkelingen in kennis en de
moderne wetenschappelijke gedachte bevorderden in eerste instantie de
atheďstische opvattingen onder de ontwikkelde massa. Heden erkennen deze
zelfde mensen de eenheid en bestaan van het Goddelijk Wezen. Dit komt omdat
de wetenschappelijke ontdekkingen hebben bewezen dat het verbazingwekkende
universum, waarin zelfs een enkele atoom op zichzelf een fenomenale schepping
inhoudt, een Schepper moet hebben. Hij is Eén, aangezien Zijn schepping onder
één universele wet werkt. Het
moderne tijdperk van atheďsme
De menselijke intelligentie zelf maakt de mens ervan
bewust, dat deze prachtige schepping een Maker heeft Die ook verantwoordelijk
is voor zijn instandhouding. Zijn eigen natuur is ook een getuige hiervan;
dit is waarom zelfs een atheďst gedwongen is God aan te roepen in tijden van
ellende. Ondanks dit sterke bewijs, waarom is het atheďsme vandaag de dag
zo’n populair fenomeen? Het antwoord hierop is dat in
dit moderne tijdperk van wetenschappelijke en intellectuele ontwikkeling een
blind geloof niet langer meer wordt geaccepteerd, en dat de jongere generatie
niet noodzakelijkerwijze de opvattingen van de ouderen volgt zonder vragen te
stellen. Heden zullen de mensen geen argument accepteren, tenzij er een
sterke redenering is om het te ondersteunen. Het concept van het Goddelijke
Wezen dat door de andere godsdiensten dan de Islam wordt gepresenteerd,
oefent geen aantrekkingskracht meer uit op de ontwikkelde geesten. Het
algemene concept van het Goddelijk Wezen was dat het hetzij een stenen afgod
was, een koe of vuur. Degenen dit in hun ontwikkeling voorbijgingen, begonnen
menselijke wezens te aanbidden, zoals Jezus, Mahatma Boeddha, Krishna of
Rama. Volgens het christelijk geloof stierf Jezus aan het kruis, verbleef
drie dagen in de hel en werd daarna tot leven opgewekt. In dit geval was hij
niet beter dan andere stervelingen, omdat alle religiën ons vertellen dat elk
mens weer tot leven wordt gebracht na zijn dood. Mahatma Boeddha, Krishna en
Rama hebben net als gewone stervelingen deze wereldlijke verblijfplaats
verlaten. Wanneer het concept van het Goddelijk Wezen zo’n sterke gelijkenis
vertoont met de mens, is het niet verassend heden te horen dat er of geen God
is, of indien er een was, Hij niet langer meer bestaat. In feite zijn alle
polytheďstische geloven (shirk) afhankelijk van een of meerdere
gebreken of tekortkoningen in God; dit is waarom het andere goden nodig zijn
om deze onvolkomenheden goed te maken. Dergelijke godheden hebben gebreken en
zwakheden gelijk andere mensen, en verlangen mede-goden om deze te
compenseren. Anderzijds verschaffen de wetenschappelijke ontdekkingen het
bewijs dat dit wonderbaarlijke universum Eén Schepper heeft, Die zo’n
goedheid, kracht en macht bezit, dat het het menselijk intellect versteld
doet staan. Erkenning
van het Goddelijk Wezen door Zijn attributen
De Ene en Enige God Die heden
geaccepteerd kan worden, is Die Waarover de Heilige Qoraan ons op de hoogte
begint te stellen met de woorden “Alle lof komt toe aan Allâh, de Heer der
werelden” (Al-hamdu li-llâhi Rabbi-l-`alamîn). Alle lof is voor Allâh, de Enige
Heer (Rabb) van de werelden, d.i. Hij schept, ontwikkelt en brengt het
gehele universum en alles daarin groot tot volmaaktheid. De menselijke natuur
stelt geen prijs op een gebrek of euvel bij zijn medemens; hoe kan het dan
een tekortkoming of zwakheid accepteren bij het Goddelijk Wezen? God dient
vrij te zijn van gebreken, in feite dienen al Zijn attributen de graad van
complete perfectie te bereiken. Al-hamdu li-llâh (Alle lof is
voor Allâh) wijst erop dat de goedheid zijn perfectie heeft bereikt bij
Allâh. Het vertelt ons ook dat aangezien alle goede eigenschappen en
voortreffelijke lof voor Allâh zijn, het concept van rechtschapenheid en
bewonderenswaardige eigenschappen die in het menselijk verstand rijzen, een
gevolg zijn van het bewustzijn van de attributen van Allâh. Anders zou het
menselijk brein, net als dat van andere dieren, een ontleedkundig orgaan zijn
waarin het concept van rechtschapenheid niet vanzelf kan oprijzen. Wij zien
dus dat dieren geen concept hebben van rechtschapenheid, of hogere zeden en
spirituele waarden. Als zij al bepaalde eigenschappen vertonen, zoals
moederlijke liefde en tederheid voor hun kroost, dan zijn deze door de
Schepper in hun natuur geprogrammeerd, zodat zij voor hen kunnen zorgen. Zij
hebben niet het besef van wat goed is en slecht teneinde het hen leidt naar
het uitoefenen van het eerste en het zich onthouden van het laatste. Het
doel van de menselijke schepping
Mensen hebben net als andere
dieren de instincten van zelfbehoud en behoud van het soort; echter, het
bewustzijn van alle andere hogere zeden en spirituele waarden komt door de
Goddelijke openbaring, die exclusief aan hen was gegeven. Er is geen twijfel
dat de Heilige Qoraan de openbaringen aan dieren vermeldt, zoals de
honingbij; dit is slechts om het te leiden en het doel van zijn schepping te
vervullen. De mens is geschapen voor een doel dat veel hoger is dan dat van
de lagere dieren. D/.i het bewustzijn van de Goddelijhke attributen in
zichzelf. Aan hem werd om deze reden vanaf het allereerste begin kennis
gegeven van deze attributen via de Goddelijke openbaring. De Heilige Qoraan
vertelt ons hierover in het vers: “Toen
ontving Adam woorden (openbaring) van zijn Heer.“ (2:37) ‘Heer’ (Rabb) is Degene
Die grootbrengt tot volmaaktheid van de laagste tot de hoogste trap in
ontwikkeling. De toestand van de mens ten tijde van zijn geboorte is te
vergelijken met die van een dier. Hij was geschapen zodat zijn geest, die van
Allâh afkomstig is, de Goddelijke attributen in zichzelf zou reflecteren. Het
was hierom dat de Heilige Profeet Muhammad heeft gezegd: “Creëer
de morele eigenschappen van Allâh in uzelf.” De Heilige Qoraan heeft ook
hiernaar verwezen in het vers: “(Wij nemen) de kleur (aan) van Allâh; en wie is
beter in het kleuren dan Allâh; en wij zijn jegens Hem aanbidders.” (2:138) Het creëren van Allâh’s kleur in
zichzelf betekent klaarblijkelijk het reflecteren van Zijn attributen. Goddelijke
leiding voor alle volkeren
Allâh openbaarde niet alleen Zijn
attributen aan de eerst geschapen mens Adam. De Heilige Qoraan vertelt ons
duidelijk: “Voor
elk volk (was er) een gids” (13:7) en “En voor elk volk (was er) een boodschapper.”
(10:47) Deze boodschap was in de vorm van een geopenbaard
geschrift, dat de mens bewust maakte van de attributen van Allâh, en hem
voorschreef deze attributen in zichzelf te prenten op reflectieve wijze. Deze
regeling die duizenden jaren voortduurde, is verantwoordelijk voor de
schepping van het concept van spirituele en zedelijke voortreffelijkheid in
de menselijke geest. Deze geopenbaarde geschriften gingen hetzij verloren, of
werden verminkt, maar het effect van hun leringen bleven tot in zekere graad
behouden. Met het verstrijken der tijd was het gevaar dat zelfs deze resterende
invloed kon verdwijnen, dus openbaarde Allâh de Heilige Qoraan. Daarin bracht
Allâh alle leringen bijeen die het verdiende te worden bewaard, zoals wordt
gesteld in de verzen: “Een
boodschapper van Allâh, reine bladzijden reciterende, waarin (alle) rechte
boeken zijn” (98:2-3) en “Het (de Qoraan) is een Waker daarover (de vorige
openbaringen).” (5:48) Allâh heeft Zelf de
verantwoordelijkheid op Zich genomen de Heilige Qoraan te beschermen tegen
vernietiging of interpolatie, zoals aangegeven in dit vers: “Waarlijk, Wij hebben de Herinnering geopenbaard,
en waarlijk, Wij zijn de Wakers daarover.” (15:9) De vergeten lessen voor de
menselijke leiding zijn dus als een herinnering in dit boek geopenbaard, en
Allâh garandeert hun behoud. Dit leidt tot de essentiële conclusie dat alleen
dit boek nu tot een gids kan dienen voor alle volkeren. Dit is zo’n grote
daad van weldadigheid jegens de mensheid, dat spontaan de woorden “Alle lof
komt toe aan Allâh, de Heer der werelden” door de biddende worden uitgesproken.
Men moet eraan denken dat ‘werelden’ (âlam-în) ook staat voor alle
volkeren, en dat ‘Heer’ (Rabb) betekent Degene Die doet ontwikkelen
van de laagste tot de hoogste trap van stoffelijke en spirituele
volmaaktheid. Zonder het hemelse licht en leiding van de Heilige Qoraan zou
de mens, die niet in staat te het dierlijke stadium te ontstijgen, beroofd
zijn van de spirituele vooruitgang waarvoor hij was geschapen. Aangezien deze
vooruitgang voor deze wereld en voor de wereld Hiernamaals is bedoeld, hoe zeer
schoon en passend zijn de woorden “Alle lof komt toe aan Allâh, de Heer der
werelden”. Naarmate de mens voortschrijdt langs dit pad van morele en
spirituele ontwikkeling, wordt hij zich meer bewust van Allâh’s attributen
van volmaaktheid in voortreffelijkheid en goedheid. Om hazrat Mirza Ghulam
Ahmad, de mujaddid (hervormer) van de 14e eeuw Hidjra, aan
te halen: “Aangezien de voortreffelijkheid en goedheid van
Allâh onbegrensd is, is er geen grens aan de morele en spirituele vooruitgang
van de mens in het leven Hiernamaals.” Nogmaals zeggen wij: “Alle lof
komt toe aan Allâh, de Heer der werelden”. |
§ Onomstotelijk bewijs van het Goddelijk bestaan § Het moderne tijdperk van atheďsme § Erkenning van het Goddelijk Wezen door Zijn attributen |