|
(In 1918 schreef Maulana Muhammad Ali een Engels boek, getiteld 'De
Ahmadiyya Beweging - IV: De Splitsing', waarin hij uitgebreid bespreekt hoe
Mirza Bashir-ud-Din Mahmud Ahmad overtuigingen gecreëerd had die volkomen
onjuist en gevaarlijk waren, en die volkomen onverenigbaar waren met de
leerstellingen van Hazrat Mirza Ghulam Ahmad, de oprichter van de Ahmadiyya
Beweging. Mirza Mahmuds volgelingen worden tegenwoordig geleid door Mirza Tahir
Ahmad, die zijn hoofdkwartier momenteel in Engeland heeft. Hieronder volgen
passages die aan het einde van het voortreffelijke werk van Maulana
voorkomen.)
Een moslim kan aan de hand van de vreemde aankondiging volgens welke alle
moslims, behalve de Ahmadi's, in werkelijkheid niet-moslims zijn de volle
betekenis ervaren van de nieuwe doctrines die door M. Mahmud onderricht worden.
De aankondiging - dat de moslims niet-moslims zijn - komt zo vreemd en
paradoxaal over, dat bijna niemand zou kunnen geloven dat iemand die bij zijn
volle verstand is deze verklaring zou kunnen afleggen, maar dit is de
feitelijke consequentie van de nieuwe doctrine die door M. Mahmud onderricht
wordt en die betrekking heeft op het profeetschap van de Beloofde Messias. Ook
zullen wij niet de enigen zijn die tot die conclusie komen, want de doctrine
dat al degenen die niet de bai'at bij de Beloofde Messias hebben afgelegd
buiten de kring van de islam vallen, d.w.z. niet-moslims zijn, is vele jaren
openlijk en onophoudelijk gepredikt door M. Mahmud, en hij is zo volhardend dat
hij bij een bijeenkomst van zijn vrienden die in december 1913 bijeengeroepen
werd, openlijk verklaarde dat hij liever zou sterven dan de prediking van de
doctrine op te geven dat al degenen die geen Ahmadi's waren puur en simpel
kafirs waren, pure ongelovigen die zich buiten de kring van de islam bevonden,
met wie alle betrekkingen waartoe ook het opzeggen van hun begrafgenisgebeden,
onderlinge huwelijken, etc. behoorden, op dezelfde manier vermeden dienden te
worden als in het geval van niet-moslims. Met andere woorden, een Ahmadi-moslim
is niet aan zijn moslimbroeder de plichten verschuldigd die een moslim volgens
de duidelijke leerstellingen van de Heilige Koran en de verslagen van de
Heilige Profeet aan een moslim verschuldigd is.
Hier is nu in de islam een tweedracht gecreëerd die in deze godsdienst van
de eenheid - de eenheid van God en de eenheid van de mensheid - tijdens de
dertienhonderdjaar van haar bestaan ongekend is. En als de consequentie van de
doctrine over het profeetschap van de Beloofde Messias niet zo ernstig zou
zijn, zou die doctrine als een onschuldige ketterij zijn overgewaaid die
vanzelf wel een natuurlijke dood gestorven zou zijn. Maar de ernstige
tweedracht waar deze doctrine oorzaak van is, vereist dat iedere ware moslim -
en het kan niet anders of iedere Ahmadi is een ware moslim - zijn stem verheft
tegen deze machtige belediging van de heilige godsdienst van de islam. Zij
verdeelt niet alleen het kamp van de islam in tweeën, dat in beginsel de
laatste dertienhonderd jaar een absolute eenheid is gebleven, maar legt de
grondslag voor verdere splitsingen, die, wanneer zij hun weg in de islam zouden
vinden, ertoe zullen leiden dat er niets meer van de eenheid zal overblijven.
Het is noodzakelijk om eerst in een paar woorden uit te leggen wat hierboven
gezegd is. M. Mahmuds argument om de moslims tot heidenen te verklaren is dat,
omdat er een nieuwe profeet in de wereld verschenen is, zij die niet geloven in
die profeet ongelovigen zijn, want alleen het geloof in de laatste profeet kan
een mens binnen de groepering van de islam brengen. Vandaar dat, hoewel de
verschijning van de Beloofde Messias in de hoedanigheid van profeet het kamp
van de islam in twee partijen verdeelt, waarbij ieder denkt dat de andere
partij volledig buiten de islam valt, de verschijning van de duizenden profeten
die volgens M. Mahmud nog moeten verschijnen, de islam hopeloos in duizenden
kampen zou verdelen, waarbij ieder kamp zou denken dat het andere kamp uit
niet-moslims bestond. En evenals de miljoenen moslims die niet eens de naam
kennen van Mirza Ghulam Ahmad - die volgens de doctrine van M. Mahmud de nieuwe
profeet van het tijdperk is - kafirs zijn geworden, simpelweg omdat er een
profeet in India is verschenen, lopen ook de Ahmadi-volgelingen van M. Mahmud
gevaar in kafirs te veranderen, omdat er wel eens een profeet in Afrika zou
kunnen verschijnen waar zij niets van af weten, evenals hun Afrikaanse broeders
niks van de Beloofde Messias weten. Sterker nog, deze doctrine is zo
afschuwelijk dat het voor de zinnige lezer een belediging is met een afwijzing
op de proppen te komen, maar aangezien M. Mahmud de doctrine aan de Beloofde
Messias tracht toe te schrijven, acht ik het mijn plicht aan te tonen dat die
grote hervormer van de eeuw er nog geen moment over gedacht heeft deze
afschuwelijke onwaarheid te prediken. Want hij gaat volledig vrijuit.
De Beloofde Messias heeft de moslims nooit tot kafirs bestempeld
Omdat, naar ons verteld wordt, de Beloofde Messias een profeet is, zouden
al degenen die de bai'at bij hem hebben afgelegd kafirs zijn. M. Mahmud kan al
dan niet gelijk hebben, maar de vraag die ik hier wil stellen is of de Beloofde
Messias die woorden ooit gesproken of geschreven heeft. Bevatten de duizenden
bladzijden uit zijn dagboeken en geschriften ook maar éénmaal de
verklaring dat, omdat hij een profeet was, degenen die niet de bai'at bij hem
aflegden kafirs waren? Als hij daarop nooit aanspraak gemaakt heeft, is het dan
geen verachtelijke misdaad die doctrine aan hem toe te schrijven? Hij heeft
honderden keren gesproken en geschreven over vraagstukken die het begrip Kufr
en de islam betroffen, maar geen enkele maal zijn deze woorden aan zijn tong of
pen ontsnapt. Van welk een wreedheid getuigt het dan niet om aan de wereld te
verklaren dat hij verantwoordelijk was voor het onderrichten van een doctrine
die nooit bij hem opgekomen was.
Tegenstanders bestempelden de Beloofde Messias als kafir
Hoe is dan überhaupt de kwestie omtrent het begrip kufr in verband met
de Beloofde Messias ontstaan? Toen hij er voor de eerste keer aanspraak op
maakte dat hij de Beloofde Messias was, deden de Maulvi's hun uiterste best hem
tot kafir te verklaren, omdat zijn aanspraak tegenstrijdig waren met hun
favoriete doctrines die in werkelijkheid in strijd waren met de Heilige Koran
en de uitspraken van de Heilige Profeet. In hun fatwa's waren zij er echter
niet tevreden mee hem tot kafir te verklaren, maar adviseerden ze de moslims
alle contacten met hem te verbreken, zoals M. Mahmud dat vandaag de dag met
betrekking tot degenen doet die de Beloofde Messias niet volgen. De Beloofde
Messias reageerde niet op deze fatwa's, behalve dan dat hij de mensen bleef
verzekeren dat de aanklachten op grond waarvan hij tot kafir was verklaard,
absoluut vals waren, dat hij er geen aanspraak op maakte een profeet te zijn of
dat hij het bestaan van engelen of wonderen e.d. ontkende.
Maar deze verzekeringen hadden geen enkele uitwerking, en het werd in de loop
der tijden duidelijk dat de Maulvi's doelbewust doorgingen met een moslim tot
kafir te verklaren, ondanks het feit dat hij herhaaldelijk verklaarde dat hij
geen haarbreed van de grondbeginselen van de islam afweek. Nu bestaat er een
uitspraak van de Heilige Profeet die zegt dat als iemand zijn moslimbroeder een
kafir noemt, het begrip kufr uiteindelijk op hem zelf van toepassing is.
Ongeveer vier jaar na zijn aanspraak op het Beloofde Messiasschap vroeg een
tegenstander hem een mubahala met hem te houden (d.w.z., men bidt in zo'n geval
voor de vernietiging van de partij die het bij het verkeerde eind heeft). Het
antwoord van de Messias daarop was dat, hoewel zijn tegenstander hem wellicht
een kafir noemde, hij desondanks niet voor zijn vernietiging kon bidden, omdat
hij zijn tegenstander als een moslim beschouwde.
Maar toen het uiteindelijk duidelijk werd dat de tegenstanders hem geheel
ten onrechte een kafir bleven noemen, schreef de Messias dat hij vanaf dat
moment gerechtigd was die tegenstanders die verklaarden dat hij een kafir of
bedrieger was als kafir te behandelen, overeenkomstig de uitspraak van de
Heilige Profeet. Dit is alles wat de Beloofde Messias ooit gezegd heeft, nl.
dat het begrip kufr uiteindelijk op diegenen zelf van toepassing was die
verklaarden dat hij een kafir of bedrieger was en hier heeft hij zich tot op
het laatst toe aan gehouden, en hij ging nooit tegen dit principe in.
Het is niet noodzakelijk dat ik hier uitleg waarom, op grond van de uitspraak
van de Heilige Profeet, het begrip kufr uiteindelijk op diegene van toepassing
is die verklaart dat een moslim een kafir is. De Heilige Profeet had de basis
gelegd voor een machtige broederschap en hij zag niet graag dat er in deze
broederschap meningsverschillen zouden zijn die de eenheid van de islam zouden
vernietigen. Vandaar dat het noodzakelijk was een beveiliging te hebben tegen
de totstandkoming van dergelijke meningsverschillen. Maar de enige mogelijke
beveiliging zou kunnen zijn dat men de persoon die de eenheid van de moslimse
broederschap geweld zou durven aandoen, een of andere straf op zou leggen.
Vandaar dat een persoon die een moslimbroeder een kafir noemde het niet
verdiende een lid genoemd te worden van de broederschap en vandaar de woorden
van de Heilige Profeet dat het begrip kufr uiteindelijk op diegene van
toepassing was die zijn moslimbroeder een kafir noemde.
Vlak voor zijn dood bracht hij hetzelfde geloof onder woorden
Dat de Beloofde Messias niet verder dan dit ging is duidelijk uit zijn
laatste verklaring. Ongeveer twee weken vóór zijn dood - het was
mei 1908 en hij bevond zich toen in Lahore - stelde de advocaat Mian
Fazl-i-Husain hem de vraag of hij de moslims kafir noemde. Het gesprek is op de
volgende wijze vastgelegd, in het Badr-nieuwsblad van 24 maart 1908:
"Fazl-i-Husain zei dat, als alle niet-Ahmadi's kafir genoemd zouden
worden, er niets in de islam zou overblijven.
"(De Beloofde Messias) zei daarop: 'Wij beweren van niemand dat hij buiten
de islam staat, tenzij hij zelf een kafir wordt door ons kafirs te noemen. Het
is u wellicht niet bekend dat, toen ik er voor het eerst aanspraak op maakte
dat ik door God was aangesteld, Maulvi Abu Said Muhammad Husain van Batala met
veel moeite een fatwa samenstelde waarin geschreven stond dat ik een kafir was,
etc.... Tegenwoordig wordt overal aanvaard dat iemand die een gelovige een
kafir noemt, zelf een kafir wordt."
Verderop in de tekst wordt er opnieuw in duidelijke bewoordingen
bevestigd:
"Degene die ons geen kafir noemt, wordt door ons absoluut geen kafir
genoemd."
Hieruit kan men concluderen dat de Beloofde Messias nooit of te nimmer
één enkele moslim tot kafir verklaard heeft. Een verder bewijs
hiervoor kunnen wij aantreffen in Haqiat-ul-Wahy waarin wij kunnen lezen hoe
hij zijn tegenstanders ervan beschuldigt dat zij valse beschuldigingen tegen
hem inbrengen; één daarvan is dat zij hem ervan beschuldigden de
moslims tot kafirs te verklaren:
"Kijk nog eens naar de leugen waarin zij ons ervan beschuldigen dat wij
tweehonderd miljoen moslims tot kafirs verklaard hebben.... Is er enige Maulvi
of enige tegenstander of enige sajjada nashin die kan bewijzen dat wij als
eersten deze mensen tot kafirs verklaarden? Als er enig(e) brochure of manifest
of pamflet door ons gepubliceerd werd waarin wij onze moslimtegenstanders tot
kafir verklaarden vóór hun fatwa over het kufr-begrip, dan moeten
zij dit naar voren brengen; anders zouden zij moeten bedenken hoe oneerlijk het
is dat zij zelf ons kafir noemen en ons vervolgens ervan beschuldigen dat wij
alle moslims tot kafirs hebben verklaard. Hoe beledigend is deze onwaarheid,
deze leugen en deze valse beschuldiging." (p. 120)
De verklaring van de Beloofde Messias voor de rechtbank.
De duidelijkste verklaring hierover staat echter in de Tiryaq-ul-Qulub
welke in 1902 gepubliceerd werd. Het incident ontstond naar aanleiding van een
rechtszaak waarbij Maulvi Muhammad Husain van Batala en de Beloofde Messias
beiden een overeenkomst tekenden, waarbij eerstgenoemde zich ertoe verplichtte
dat hij de Beloofde Messias voortaan niet meer een kafir of leugenaar zou
noemen, en laatstgenoemde zich met betrekking tot Maulvi Muhammad Husain tot
hetzelfde verplichtte. In de Tiryaq-ul-Qulub wordt hier op blz. 130 in de
volgende woorden naar verwezen:
"Het derde aspect van de vervulling van de profetie van 21 november
1898 is dat J.M. Douie, voormalig plaatsvervangend commissaris en
districtsmagistraat uit het Gurdaspur-district, in zijn bevel van 24 februari
1899 Maulvi Muhammad Husain de overeenkomst liet tekenen dat hij me voortaan
niet meer antikrist en kafir en leugenaar zou noemen.... En staande voor de
rechtbank beloofde hij dat hij me bij geen enkele samenkomst kafir zou noemen
of mij de naam antikrist zou geven, of mij onder de mensen voor leugenaar zou
uitmaken. En kijk dan eens naar wat er na deze overeenkomst met zijn fatwa
(over het kufr-begrip) gebeurd is die hij had samengesteld, nadat hij zelfs tot
Benares gegaan was (en het hele land had doorgereisd). Als hij juist gehandeld
had bij de uitvaardiging van die fatwa, had hij ten overstaan van de magistraat
moeten antwoorden dat aangezien hij (de Mirza Sahib) naar zijn mening een kafir
was, hij hem om die reden een kafir noemde, en omdat hij een dadjdjaal
(antikrist) was, hij hem een dadjdjaal noemde, en omdat hij ontegenzeggelijk
een leugenaar was, hij hem een leugenaar noemde, vooral omdat ik, bij de gratie
Gods, nog steeds achter die zelfde overtuigingen sta - en dit tot aan het einde
van mijn dagen zal blijven doen - die Muhammad Husain voor kufr-woorden
uitmaakte. Het getuigt dan ook van weinig eerlijkheid dat hij uit angst voor de
magistraat zijn eigen fatwa's vernietigde.... Het is waar dat ik ook die
aankondiging getekend heb, maar daarom valt mij voor het aangezicht van God en
de rechtvaardigen nog niets te verwijten; ook kan deze handtekening mij geen
schande aandoen, want vanaf het begin heb ik er heilig in geloofd dat niemand
een kafir of dadjdjaal kan worden omdat hij mijn aanspraken verloochent; hij
zou zeker verdwalen en van het rechte pad afdwalen."
Dit is duidelijk genoeg. Niet alleen heeft hij nooit gezegd dat omdat hij
een profeet was, degenen die hem afwezen kafirs waren, maar hij was vanaf het
begin van mening dat niemand een kafir kon zijn omdat hij zijn aanspraken
verloochende. Hieraan wordt een voetnoot toegevoegd die dit punt verder
benadrukt:
"Men dient niet te vergeten dat het het recht is van die profeten die
met een wet en nieuwe geboden van God komen, dat zij iemand die hun aanspraken
verloochent een kafir mogen noemen, maar voor hen die geïnspireerd zijn en
de Mudahassin, uitgezonderd de gevers van de wet, geldt niet dat iemand een
kafir wordt als hij hen zou verloochenen, ongeacht hoe groot hun waardigheid
moge zijn voor het aangezicht van God en ongeacht hoeveel eer hen ten deel is
gevallen, omdat God tot hen gesproken heeft."
Een dergelijke duidelijke verklaring van de hand van de Beloofde Messias
had aan alle twijfels een einde moeten maken; want iemand die gelooft dat de
Beloofde Messias, toen hij deze opvattingen publiceerde, er niet werkelijk
achterstond, heeft een nog geringere dunk van hem dan zelfs Maulvi Muhammad
Husain had. Het was al schandelijk genoeg dat laatstgenoemde uit angst voor een
bestraffing een overeenkomst tekende die in strijd was met zijn geloof, maar
het zou nog veel schandelijker geweest zijn als de Beloofde Messias de mensen
verzekerd had dat hij degenen die hem verloochenden niet als kafirs beschouwde,
terwijl hij dat in feite wel deed. Zou dit dan niet bestempeld kunnen worden
als een absoluut verachtelijke poging om het publiek te misleiden? Ik geloof
niet dat iemand die zichzelf een Ahmadi noemt, op die manier tegen het karakter
van de Beloofde Messias zou kunnen aankijken.
Zijn gedrag tegenover bevriende moslims.
Zelfs als de Beloofde Messias deze duidelijke verklaringen niet in zijn
geschriften had nagelaten, dan was in ieder geval zijn daadwerkelijke leven een
voldoende waarborg dat hij de pure verloochening van zijn aanspraken niet als
kufr beschouwde, of degenen die niet de bai'at bij hem hadden afgelegd als
kafirs beschouwde. Khwaja Ghulam Farid van Chachran, de geestelijke leider van
de Nawab van Bahawalpur, had groot respect voor de Beloofde Messias, hoewel hij
nooit de bai'at bij hem aflegde. Volgens de uitspraak van M. Mahmud, die in
zijn maandblad de Tashhiz-ul-Azhan van april 1911 gepubliceerd werd:
"...wordt zelfs hij die met zijn hele hart gelooft dat hij (d.w.z., de
Beloofde Messias) de waarheid spreekt, en hem zelfs niet met de tong
verloochent, maar desondanks de bai'at uitstelt, als een kafir beschouwd."
(p. 141)
Khwaja Ghulam Farid zou tot de kafirs gerekend moeten worden, maar de
Beloofde Messias spreekt in zijn boek Siraj Munir met groot respect over hem,
hij noemt hem een "man van de waarheid", "iemand die licht van
God ontvangt", en "iemand die door de Heilige Geest geholpen
wordt" (pagina e, supplement) en hij spreekt hem aan als "hij die op
het gebied van waarheid en zuiverheid niet te evenaren is" (pagina g).
Ernstige gevolgen van de Qadianische overtuigingen.
Maar de allerernstigste consequentie van de leer van M. Mahmud is dat
wanneer men deze doctrines voor waar aanneemt, men de Beloofde Messias moet
accepteren als de onderwijzer van een volkomen nieuwe godsdienst, en niet als
een onderwijzer van de islam zoals deze door de Heilige Profeet Mohammed werd
onderricht. De basis van de godsdienst die door de Heilige Profeet Mohammed
werd onderricht is de eenvoudige geloofsformule: la ilaha
illa-Allah-u-Muhammad-urrasul ullah, d.w.z., er is geen god dan Allah en
Mohammed is de apostel van Allah. Wanneer een niet-moslim de islam aanvaardt,
moet hij zijn geloof in de bovenstaande formule belijden. Deze formule is
daarom de basis van de godsdienst van de islam, het fundament waarop de
superstructuur van de islam gebouwd is, en de laatste dertienhonderdjaar heeft
deze formule dit doel gediend. Maar volgens M. Mahmud kan niemand tegenwoordig
tot de islam toetreden die enkel zijn geloof in deze formule belijdt; een
nieuwe profeet is opgestaan en alleen door het geloof in hem kan een mens tot
de kring van de islam toetreden. Zelfs die oude moslims die de geloofsformule
aanhingen, zijn zonder meer uit de islam gezet. Daarom is volgens M. Mahmud de
basis zelf van het door hem gepredikte geloof van de islam, veranderd. En als
het fundament verdwenen, zal ook de superstructuur niet kunnen blijven. Daarom
is de islam die hij predikt een volkomen ander geloof dan de islam die de
laatste dertienhonderd jaar gepredikt is. Ter illustratie, M. Mahmud vertelt
ons dat zoals het geloof in Jezus Christus en de apostelen vóór
hem van geen nut meer was na de verschijning van de Heilige Profeet Mohammed,
het geloof in Mohammed en de profeten vóór hem nu ook geen nut
meer heeft na de verschijning van de profeet Mirza Ghulam Ahmad. Blijkt hier
niet duidelijk uit dat de nieuwe islam van M. Mahmud de oude islam van de
Heilige Profeet Mohammed vervangt zoals de islam indertijd het christendom
verving, hoewel de nieuwe islam wellicht wel de oude wet omvat? Kan ketterij
nog verder gaan dan dit?
Het wordt tijd dat onze broeders hun gedachten over deze zaken laten gaan,
en de ware doctrines van de Beloofde Messias te hulp snellen,
vóórdat de onjuiste doctrines de overhand gaan krijgen, zoals ook
de onjuiste doctrines die aan de eerste Messias werden toegeschreven terrein
wonnen en een groot gedeelte van de wereld betrokken was bij een dwaling die
bijna de meest ernstige van alle religieuze dwalingen is. Deze nieuwe doctrines
van M. Mahmud zullen op dezelfde manier, als zij niet op tijd gestopt worden,
de oorzaak zijn van een zeer ernstige tweedracht in de islam. Ik hoop dat het
gezonde verstand van de gemeenschap de beweging te hulp zal komen.
|
|