Anwaroel Koran

Uitleg van de

Heilige Koran

door

Dr. Basharat Ahmad

Al-Falaq

De Dageraad

Hoofdstuk 113

Home

 

 

 

Vertaald door

R. Ghafoerkhan

 

Uitgever:

Stichting Ahmadiyya Isha’at-i-Islam

 

Zeg: ik zoek mijn toevlucht bij de Heer van de dageraad.

Tegen het kwaad van wat Hij heeft geschapen.

En tegen het kwaad van de intense duisternis, wanneer het komt.

En tegen het kwaad van degenen die (kwade suggesties) werpen in vaste besluiten.

En tegen het kwaad van de afgunstige wanneer hij afgunstig is.

 

Soerah Al-Falaq is een van de laatste twee hoofdstukken van de Heilige Koran die moe`awwazatain worden genoemd, omdat deze beginnen met het woord a`oezoe, hetgeen betekent ik zoek mij toevlucht. In dit hoofdstuk worden Allah’s bescherming of toevlucht gezocht tegen alle soorten van kwaad, die anderen aansporen om ons te schaden, terwijl in soerah An-Naas bescherming wordt gezocht tegen alle kwade neigingen, waarmee wij schade of letsel aan anderen kunnen toebrengen. Deze twee hoofdstukken zijn dus zo veelomvattend, dat geen kwaad of kwade neiging wordt overgeslagen, waartegen geen toevlucht bij Allah wordt gezocht. In de Hadies staat geschreven dat de Heilige Profeet Mohammad (s.a.w.) erg gelukkig werd na de openbaring van deze twee hoofdstukken, en hij liet andere gebeden die Allah’s bescherming zochten na en verving die door deze.

 

Het woord falaq in het eerste vers van het hoofdstuk betekent klieven of splijten. Dit woord wordt op twee andere plaatsen in de Koran gebruikt. In 6:96 zijn de woorden Faliqoe-l-habbi wa-n-nawa (Degene Die het graan en de dadelpitten doet splijten of ontspruiten). In vers 97 van dezelfde soerah zijn vervolgens de woorden Faliqoe-l-isbah (Degene Die de ochtend doet aanbreken). Hier wordt Allah’s attribuut Faliq aan het begin vermeld. Dit woord heeft twee betekenissen: ten eerste, het Wezen Dat de dageraad voortbrengt uit de duisternis van de nacht; en ten tweede, Degene Die de harde dadelpit splijt en jonge scheuten doet voortbrengen. Het verwijst met andere woorden naar de aldoordringende macht van Allah, die zich uitstrekt van de piepkleine schepping van de jonge scheut, tot het manoeuvreren van de enorme hemellichamen, zoals de zon en de maan, in het universum. Door het gebruik van zijn Goddelijke attribuut Rabbi-l-falaq wordt bij de gelovige de gedachte ingeprent, dat het slechts Allah is Die ons tegen kwaden kan beschermen.

 

Het andere woord dat uitleg behoeft, is nafasa, hetgeen betekent blazen. Iemands hart inblazen betekent een ding of een gedachte in iemands hart plaatsen. Evenzo betekent het blazen op een knoop, zoals in vers 4 wordt vermeld (naffasati fi-l-`oeqad), kwade suggesties insinueren in de besluiten van mensen of in het regelen van hun zaken. En het gebeurt inderdaad, dat wanneer een persoon een of ander goed werk onderneemt, er dan mensen zijn die zelf niets doen, maar hem altijd ontmoedigen door het hem af te raden, of door zijn vastbeslotenheid te verzwakken door ongegronde angsten te overdrijven.

 

Helaas hebben sommige commentatoren van de Heilige Koran zichzelf beperkt tot de letterlijke betekenis van de woorden blazen op knopen, en dit heeft aanleiding gegeven tot het grondeloze verhaal, dat bepaalde Joodse vrouwen een betovering hadden uitgesproken over de Heilige Profeet Mohammad (s.a.w.), met als gevolg dat hij vergeetachtig werd. De Heilige Koran verwerpt al dit soort verhaaltjes en vertelsels.

 

In feite waren het de ongelovigen die de Heilige Profeet beschuldigden van toverij, zoals wij dit in de Koran aantreffen: Qala-l-kafiroena inna haza la-sahiroem-moebien (De ongelovigen zeggen: dit is waarlijk een duidelijke tovenaar – 10:2). Zoals reeds eerder is vermeld, omvatten deze twee hoofdstukken alle soorten van kwaad, en dit is waarom de meeste vrome Moslims deze reciteren voordat zij naar bed gaan, voor het zoeken van Allah’s bescherming.

 

Wij komen nu bij het tweede vers: Tegen het kwaad dat Allah heeft geschapen. Wij dienen in gedachten te houden, dat de mens over het algemeen afhankelijk is van zijn omgeving voor het instandhouden van zijn eigen bestaan. Het is onze gemeenschappelijke ervaring dat de mens twee soorten van gevaren onder ogen ziet wanneer hij op aarde leeft. Ten eerste: kwaden die duidelijk en bekend zijn, zoals beesten, slangen, rovers etc. Ten tweede: dingen die, hoewel zij essentieel en nuttig voor ons zijn voor het instandhouden van het mensenleven, toch soms een gevaarlijke vorm aannemen, zoals lucht, water, vuur, voedsel etc. Bijvoorbeeld, vuur is de primaire bron van energie en warmte voor de mens, maar soms woedt het op oncontroleerbare wijze en vernietigt het op die manier bezittingen en doodt het mensen. Evenzo is water de bron van leven en groei, maar soms verandert het in verwoestende vloedgolven, die wijdverspreid rampen en vernietiging veroorzaken. Dan komen de eigen menselijke creaties, zoals de auto, het vliegtuig en andere transportmiddelen. Deze hebben de mens sneller en comfortabeler doen reizen, maar als er soms een ongeluk gebeurt, dan veroorzaakt het letsels en dood. Nogmaals, men eet heerlijk voedsel voor het genot, maar soms veroorzaakt het ernstige ziekten en voedselvergiftigingen. In dit vers wordt er dus bescherming bij Allah gezocht tegen kwaden die bekend zijn, en tegen de kwade gevolgen van dingen die Allah heeft geschapen voor het onderhoud en nut van de mensen, maar die soms, vanwege ongelukken of door het verkeerd gebruik van de mensen zelf, schadelijk en gevaarlijk worden.

 

In het derde vers: En tegen het kwaad van de intense duisternis, wanneer het komt, wordt bescherming gezocht tegen de kwaden van de duisternis, of het nu de duisternis is van de nacht, of de duisternis van onwetendheid. Wij zien dat diefstal, berovingen, moord en andere misdaden meestal in de duisternis van de nacht worden gepleegd. Net zo worden sociale kwaden als drinken, danspartijtjes en alle soorten van losbandige en vrije activiteiten gedurende de nacht bedreven. Soms worden zelfs nuttige dingen gevaarlijk in de nacht wanneer men deze niet kan zien en men zichzelf verwondt, zoals een trap of elk ander ding dat iemands weg kan kruisen in het donker.

 

De duisternis wordt dus op vele wijzen een bron van letsel en gevaar, en zelfs nuttige dingen kunnen schade veroorzaken in het donker wanneer men deze niet goed kan zien. Evenzo kan een gebrek aan kennis of juiste informatie iemand leiden tot mislukking of verlies, zoals in een bedrijf etc. Met andere woorden, een gebrek aan kennis houdt niet alleen iemand af van het rechte pad, maar het draagt ook bij tot de verspilling van iemands bekwaamheden en kan iemand in schadelijke en gevaarlijke situaties doen belanden.

 

Het vierde vers: En tegen het kwaad van degenen die kwade suggesties werpen in vaste besluiten, benadrukt de noodzakelijkheid van iemands vastbeslotenheid om een bepaalde taak tot zijn succesvolle einde voort te zetten. Het is in deze fase dat jaloerse mensen actiever worden in hun pogingen de genadeslag toe te brengen en het werk te vernietigen, dat zij niet anders kunnen stoppen dan door insinuaties en kwade suggesties. Zo iemand heeft werkelijk Allah’s hulp en bescherming nodig in deze laatste fase, omdat men zeker wanhopig wordt het werk te voltooien wanneer elk obstakel en belemmering iemand in deze fase van streek brengt.

 

In dit hoofdstuk wordt dus, zoals hiervóór is uitgelegd, een gebed onderwezen om bescherming bij Allah te zoeken tegen al het kwaad, dat de gelovige op zijn weg kan tegenkomen in de strijd om zijn bestaan.

 

Het eerste vers benadrukt ook een subtiele waarheid aangaande Allah’s bescherming voor de menselijke strijd om het bestaan. Het Goddelijke attribuut Faliq duidt aan, dat net zoals Allah de dag doet aanbreken uit de duisternis van de nacht, en jonge scheuten voortbrengt uit de harde dadelpit, Hij ook een gelovige uit de duisternis van besluiteloosheid, verwarring en moeilijkheden zal brengen, en hem beslist zal leiden en helpen tot het uiteindelijke succes.

 

 Een Moslim gelooft dat Allah de Almachtige is en de algehele controle over de dingen heeft, en derhalve dienen wij alleen tot Hem onze smeekbeden te richten. Dit is waarom de Heilige Koran begint met het gebed: iyyaka na`boedoe wa iyyaka nasta`ien (U alleen dienen wij, en U alleen smeken wij om hulp). Dus het begin, welke werd gemaakt met het zoeken van Allah’s zegeningen en hulp, wordt prachtig beëindigd met een gebed, waarin wij Allah’s bescherming zoeken voor alles wat wij doen in onze strijd op de inspannende weg van het bestaan.

 

 

Bismillah

112 Al Ichlaas

113 Al Falaq

114 An Naas