|
Anwaroel Koran Uitleg van de Heilige Koran door Dr. Basharat Ahmad |
An-Naas De Mensen
Hoofdstuk 114
|
|
|
|
|
|
|
Vertaald door R. Ghafoerkhan Uitgever: Stichting Ahmadiyya Isha’at-i-Islam |
Zeg: ik
zoek mijn toevlucht tot de Heer der mensen. De Koning der
mensen. De
God der mensen. Tegen
het kwaad van de fluisteringen van de sluipende (duivel). Die
in de harten van de mensen fluistert. Uit
het midden van de djinn en de mensen. In het hoofdstuk Al-Falaq (113) werd de bescherming van Allah
gezocht tegen alle soorten van kwaad, die door anderen worden veroorzaakt.
Maar in dit hoofdstuk wordt de bescherming van Allah gezocht tegen de kwade
suggesties en verleidingen, die plotseling in het menselijke hart opduiken en
schade berokkenen aan anderen. Hier wordt de bescherming afgesmeekt van drie wezens: -
De Heer der
mensen -
De Koning der
mensen -
De God der
mensen. Rabb of Heer is
het Wezen Dat de mens via graden grootbrengt totdat hij de volmaaktheid bereikt.
Malik of Koning is het Wezen, Wiens heerschappij en wetten
gehoorzaamheid gebieden. Allah of God is het Opperste Wezen Dat dient te
worden aanbeden, Dat men dient lief te hebben en Dat iemands uiteindelijke
doel dient te zijn. Indien wij peinzen over de menselijke natuur en zijn gedrag, dan zien
wij dat de mens geneigd is bescherming of hulp te zoeken bij drie wezens. Ten
eerste zoekt hij bescherming bij het wezen dat hem onderhoudt met zorg en
levensvoorzieningen. Neem het voorbeeld van een kind. Wanneer hem
moeilijkheden of schade worden aangedaan, dan gaat hij spontaan naar zijn
ouders voor hulp en leiding, omdat zij hem hebben overstelpt met zorg en
levensonderhoud, en voor hem zijn zij de beste helpers. Ten tweede zoekt hij
de bescherming of hulp van een koning of heerser. Indien er een angst bestaat
om beroofd te worden, of indien er het gevaar bestaat van schade toegebracht
door kwade figuren, dan zoekt hij op natuurlijke wijze de hulp van de politie
of een overheidsinstelling. En ten derde zoekt de mens hulp van zijn God,
daar Hij de Beste en Laatste redmiddel voor hem is, omdat wanneer noch zijn
onderhouder, noch zijn ouders, noch enige overheidsinstelling hem kan redden,
de enige bron van hulp het Wezen is Dat hij aanbidt. De mens weet heel goed,
of realiseert zich op z’n minst, dat wanneer alle wereldlijke hulpbronnen
geen enkele hulp of bescherming meer kunnen bieden, het dan Allah Alleen is
Die in hulp kan voorzien of zijn redding kan zijn. Alle drie bronnen waarvan de mens eventueel bescherming of hulp
zoekt, zijn dus in het Ene Wezen van Allah gecombineerd. De Almachtige Allah
is het Wezen Dat de Bron is, Die hulp en bescherming kan leveren in de drie
eerder vermelde situaties. Allah is dus het Wezen Dat in Zichzelf alle volmaakte attributen
combineert en de macht en het gezag heeft hulp en bescherming te leveren in
alle soorten situaties, inclusief de drie waarnaar in dit hoofdstuk wordt
verwezen. Allah is de Ware Heer en Onderhouder. Ieder persoon die iemand
onderhoudt en grootbrengt, demonstreert in feite Allâh’s attribuut van Raboebiyyat,
aangezien Hij het is Die liefde en mededogen heeft ingegoten in de harten van
de mensen. Ouderlijke liefde en genegenheid zijn ook manifestaties van
Allah’s attribuut van Rabb en Onderhouder. Eens ging een vrouw met haar twee dochters naar de Heilige Profeet
(s.a.w.) om wat voedsel te verkrijgen aangezien zij honger hadden. Hazrat
Aisha, de vrouw van de Heilige Profeet, gaf haar één dadel, omdat zij op dat
moment niets anders had om te geven. De vrouw verdeelde de dadel in twee
stukken en gaf haar twee dochters elk een stuk. Zijzelf bleef hongerig. Later
vertelde hazrat Aisha aan de Heilige Profeet hoe de moeder liefde had getoond
voor haar dochters. De Heilige Profeet (s.a.w.) zei: “Ik zweer bij het Wezen in Wiens handen
mijn leven ligt, dat Allah’s liefde voor Zijn schepselen veel groter is dan
die welke de moeder toonde voor haar dochters.” Het Wezen Dat liefde heeft gegoten in het hart van een moeder moet inderdaad veel meer liefde voor Zijn dienaren hebben. Allah is de Werkelijke Heer en Onderhouder van de mensen. Evenzo behoort de ware heerschappij toe aan Allah. Allah schenkt wereldlijke koninkrijken en Hij neemt deze weer weg wanneer Hij dat wil. Op dezelfde wijze is Allah het Enige Wezen waard voor aanbidding en verering, daar Hij het Wezen is Dat alles schept en alles doet ontwikkelen en vervolmaken. Hij alleen heeft de controle en het gezag over de enorme hemellichamen in het universum en zelfs over de piepkleine atomen op deze aarde, en dus verdient slechts Hij te worden aanbeden als de Heer en Onderhouder van de mensen. Channaas, of de sluipende duivel, is degene die
kwade suggesties doet en zich dan terugtrekt. Dit is waarom hij in de Koran
wordt beschreven als yoewaswisoe fî soedoeri-n-naas (degene die
heimelijk kwade suggesties in de harten van de mensen fluistert). Er zijn
twee soorten channaas: mina-l-djinnati wa-n-naas. Djinn is het
schepsel dat verborgen is voor het menselijk oog. Elk ding dat verborgen is,
wordt in het Arabisch djinn genoemd. Mensen die in de bergen of bossen
wonen, worden ook djinn genoemd, omdat zij over het algemeen niet door
de andere mensen worden gezien. Evenzo worden ziektekiemen ook djinn
genoemd, omdat zij niet met het blote oog kunnen worden waargenomen, behalve
met behulp van een microscoop. Op dezelfde wijze wordt het schepsel dat de
menselijke passies aanwakkert hier djinn genoemd, omdat het niet als
zodanig zichtbaar is. Men kan erop wijzen dat de mens in zichzelf dierlijke en engelachtige
hartstochten combineert. Dierlijke hartstochten zijn liefde, boosheid, etc.
Dit zijn de hartstochten die de menselijke daden aanzetten. Aan de andere
kant creëren intelligentie, bewustzijn en hoge zeden in hem het besef om goed
en kwaad van elkaar te onderscheiden, en deze gaven stellen hem op de hoogte
van de aansprakelijkheid van zijn daden. Het verborgen element dat menselijke daden voortbrengt in de mens
door dierlijke hartstochten
wordt djinn genoemd, en degene die de menselijke daden reguleert en
weerhoudt van het overschrijden van de grenzen en af te wijken van het rechte
pad door een nobel bewustzijn en hoge zeden, wordt engel genoemd
in de terminologie van de Koran. Maar wanneer een djinn de menselijke
daden doet afwijken of de grenzen doet overschrijden, dan wordt hij een sjaitaan. Het woord shaitaan komt uit twee bronnen voort: sjayata,
wat vernietigen betekent, en sjatana, wat veraf of op
een afstand verwijderd betekent. Wanneer een persoon de grenzen overschrijdt
of van het rechte pad afwijkt, dat voert hij zichzelf weg van de genade van
Allah. Met andere woorden, wanneer de djinn, die de kwade daden van de
mens aanwakkert, de mens de grenzen doet overschrijden, dan wordt hij sjaitaan,
maar wanneer dezelfde djinn, door een nobel bewustzijn en hoge zeden,
de menselijke daden onder controle houdt, dan wordt hij degene die zich
onderwerpt aan de geboden van Allah, en wordt derhalve een Moslim. Het is in
deze zin dat de Heilige Profeet Mohammad (s.a.w.) heeft gezegd: “Mijn sjaitaan
is een Moslim geworden.” In dit hoofdstuk wordt uitgelegd dat de mensen die channaas
worden genoemd uit twee soorten bestaan: de ene soort handelt heimelijk als djinns
en schept twijfels en wantrouwen in de harten van de mensen. In dat geval
wordt zo’n djinn channaas of sjaitaan genoemd. De
andere soort bestaat uit die mensen die anderen aansporen kwaad te doen, en
zulke mensen worden in de Koran ook channaas of sjaitaan
genoemd. De Heilige Koran vertelt ons dat op de Dag der Opstanding de sjaitaan
zijn houding zal proberen te zuiveren tegenover Allah, door te zeggen dat het
de mens is die verantwoordelijk was voor zijn slechte daden en dat hij
(sjaitaan) slechts de suggesties deed. Dus, of de sjaitaan nu
heimelijk handelt als een djinn, of uit die groep van mensen is die
twijfels en wantrouwen schept in de harten van anderen, de plicht van de ware
Moslim is om Allah’s hulp en bescherming te zoeken tegen de kwade ingevingen
van de channaas, zodat hij gered kan worden van het toebrengen
van schade aan zichzelf en anderen. Dit is de reden dat de Heilige Profeet
(s.a.w.) volgens een overlevering heeft gezegd, dat een Moslim een persoon is
wiens tong en handen veilig zijn voor anderen. Met andere woorden, een Moslim
dient op te passen voor zijn verantwoordelijkheden wanneer hij als iemand
anders’ onderhouder, heerser en geliefde optreedt. Bij het vervullen van zijn
plichten dient hij niet beïnvloed te zijn door de twijfels of kwade
suggesties van de channaas. Er is een diepere betekenis in de uitleg van de drie attributen van
Allah als Rabb of Onderhouder, Malik of Koning, en Ilaah
of het Volmaakte Voorwerp van aanbidding en verering. Channaas
creëert wantrouwen op drie manieren. Soms beschouwt een persoon iemand
anders dan Allah als zijn werkelijke onderhouder; soms aanvaardt hij het
oppergezag van anderen, of gehoorzaamt hij anderen in zo’n mate dat hij
feitelijk neerbuigt voor hen, zoals hij dit voor Allah dient de doen; en soms
heeft de mens zichzelf en anderen tot zo’n hoge graad lief, dat hij Allah
verlaat. Met andere woorden, hij is zo in beslag genomen door de liefde voor
zichzelf, zijn kinderen, zijn reputatie en zijn wereldlijke voordelen, dat
hij Allah vergeet. Hij trekt zich dus niets aan van de rechten en
verplichtingen tegenover anderen en brengt hen schade toe in de jacht om iets
voor zichzelf te bemachtigen. Maar wanneer een persoon de hulp en bescherming
van zijn Heer, Koning en God zoekt, dan redt hij in feite zichzelf van de
kwade consequenties der kwade suggesties en wantrouwen van duivelse mensen,
die een persoon op de drie eerder vermelde manieren belemmeren. De mens dient
dus het Heerschap van Allah te aanvaarden, Zijn geboden op te volgen en onder
geen enkele omstandigheid dient hij zichzelf volledig over te geven aan
wereldlijke doelen. In plaats daarvan dient Allah het hoofddoel van zijn
liefde, gehoorzaamheid en verering te worden. De rechten van de mens, waarvoor de mens verantwoordelijk is en aangaande welke altijd het gevaar bestaat dat hij deze niet op onpartijdige wijze kan vervullen wegens de kwade aanzettingen van de duivel, kunnen in drie categorieën verdeeld worden:
(Deze twee worden hoeqoeq al-`ibaad genoemd, hetgeen betekent:
rechten die gelden tegenover mensen.)
(Deze worden hoeqoeq Allah genoemd.) Wanneer een persoon gelooft dat Allah zijn Enige Onderhouder is, dan
zal hij niet op zodanige wijze handelen dat Allah’s onderhoud hem wordt
ontzegd, en op deze wijze behoudt hij de rechten betreffende zichzelf.
Wanneer een mens gelooft dat Allah zijn Werkelijke Koning is en Zijn geboden
aangaande zijn medemensen gehoorzaamt, dan staat hij op deze wijze in voor de
rechten van anderen. En wanneer een mens gelooft dat Allah het Enige Wezen is
dat waard is aanbeden te worden, dan vervult hij de plichten die hij
tegenover zijn Schepper verschuldigd is. Wanneer een mens dus gelooft dat
Allah zijn Werkelijke Onderhouder, zijn Werkelijke Koning en zijn Werkelijke
Voorwerp van aanbidding is, en hij met deze drie attributen in gedachten zijn
Scheppers’ hulp en bescherming zoekt tegen de insinuaties en kwade suggesties
van de duivel, dan kan hij er zeker van zijn in te staan voor de rechten en
veiligheid van zichzelf. Hij is er ook zeker van de verplichtingen tegenover
anderen te vervullen en tevens zal hij ook zijn verplichtingen tegenover
Allah uitvoeren. Zo’n persoon wordt dan een ware Moslim genoemd. De klassieke commentatoren van de Heilige Koran hebben een subtiel
punt vermeld aangaande het gebruik van het woord an-naas bij de vijf
gevallen in dit hoofdstuk. Volgens hen drukt het woord an-naas bij elk
geval een andere bijbetekenis uit. In Rabbi-n-naas verwijst het naar
iemands kinderjaren, waarbij Allah’s zegeningen en gratie aangaande iemands
levensonderhoud zeer duidelijk zijn. In Maliki-n-naas wordt er
verwezen naar iemands jeugd en volwassenheid, wanneer het voor iemand
noodzakelijk wordt de wetten en regels van de overheid de gehoorzamen voor
zijn vooruitgang. In Ilahi-n-naas wordt er verwezen naar iemands hoge
leeftijd, wanneer men zich over het algemeen realiseert, dat Allah zijn Heer
en Onderhouder is. In soedoeri-n-naas verwijst het woord an-naas
naar die rechtschapen personen in wiens harten de duivel probeert wantrouwen
en twijfels te zaaien en aldus probeert hen af te laten wijken van het pad
van rechtschapenheid. En als laatste wordt er in mina-l-djinnati wa-n-naas
een verwijzing gemaakt naar die kwaadaardige mensen, die de vastberadenheid
van andere mensen om op het pad van rechtschapenheid te gaan, verzwakken door
wantrouwen en twijfels in hun gedachten te zaaien. Denk nu goed hierover na: indien een individu de hulp en bescherming
van Allah, die de Onderhouder, de Koning en de Heer der werelden is, zoekt
tegen de duivel, kan zo’n persoon zichzelf of zijn medemensen op enige wijze
schade toebrengen, of enige twijfel koesteren tegenover Allah, of op enige
wijze ongehoorzaam zijn tegenover Allah? Een persoon die Allah’s zegeningen
en bescherming zoekt via de gebeden in de laatste twee hoofdstukken van de
Koran (113 en 114), moe`awwazatain genoemd, leeft en sterft in feite
in de Islam, en is veilig tegen alle soorten van moeilijkheden en tegenspoed.
Hij leidt een leven dat vredig is voor zichzelf en voor zijn medemensen. Hij
is een woonplaats van vrede en is in alle opzichten een volmaakt Moslim. |